|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 8: DE YOGA VAN DE ONVERGANKELIJKE GEEST

Over verlossing

(1) Arjuna zei: 'Wat is die Geest, wat over de ziel die men heeft en wat zijn vruchtdragende activiteiten; hoe zit het, o Allerhoogste, met de materiële manifestatie en wat te zeggen van wat men de goddelijken [of halfgoden] noemt? (2) Wie is de Heer van het offer en hoe leeft hij vanbinnen in het lichaam, o overwinnaar van Madhu en hoe kunnen zij die zichzelf beheersen U kennen als hun tijd is gekomen?'

(3) De Allerhoogste Heer zei: 'De Onvergankelijke Geest is het bovenzinnelijke eeuwige van de natuur die de eigen ziel wordt genoemd [of het ware zelf], hij brengt de materiële lichamen voort van de levende wezens en schepping is wat men vruchtdragende activiteiten noemt. (4) De voortdurend veranderende materiële natuur is [het lichaam van] de oorspronkelijke persoon van de goddelijken waarover we het hadden en de Heer van het offer ben voorzeker Ik in dit lichaam van de belichaamden, o Mijn beste. (5) Als je tijd ten einde loopt is het zeker ook in de herinnering aan Mij dat hij, die het lichaam gaat verlaten, Mijn natuur zal bereiken. Daar bestaat geen twijfel over. (6) De aard van wat men zich ook allemaal herinnert, op het eind dit voertuig van de tijd opgevend, zal dien overeenkomstig zeker altijd leiden, o zoon van Bhârata, tot de staat die eraan ten grondslag ligt. (7) Houdt het derhalve vol te allen tijde aan Mij te denken en met je geest en intelligentie in overgave aan Mij, zal je voorzeker zonder enige twijfel Mij bereiken. (8) Door vasthoudend zonder af te wijken het denken en de intelligentie te verenigen in de verbondenheid van de yoga, bereikt men de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon der transcendentie waar men voortdurend over aan het denken is, o zoon van Prithâ.

(9) Hij is degene die alles weet, is de oudste, is de beheerser, is kleiner dan het atoom en denkt altijd overal aan; Hij is de ondoorgrondelijke handhaver wiens gedaante stralend is als de zon en degene die verheven is boven alle duisternis. (10) Iemand die, als zijn tijd ten einde loopt, zijn denken fixeert in toewijding verbonden door de kracht van de yoga en eveneens zeker zijn levensadem [de aandacht] tussen zijn wenkbrauwen vestigt, bereikt die bovenzinnelijke Oorspronkelijke Persoon van het goddelijke.

(11) Ik zal je nu in het kort de praktijk van het celibaat uiteenzetten nagestreefd door diegenen die de wereldverzakende orde van het leven aannemen als wijzen die op de hoogte zijn van de Veda's met het beoefenen van de pranava [AUM, de oermantra]. (12) De [negen] poorten [van de zinnen] bewakend, het denken tot het hart beperkend en ook de levensadem van de ziel in het hoofd fixerend, bevindt men zich in de yoga-positie. (13) AUM vibrerend, die ene lettergreep van de geest, bereikt een ieder die zich Mij herinnert en dit lichaam achter zich laat, het allerhoogste doel. (14) Voor hem die met regelmaat steeds zijn geest fixeert in de herinnering aan Mij, ben Ik makkelijk te bereiken, o zoon van Prithâ, want hij is regelmatig bezig met het zich verenigen. (15) Wedergeboren, Mij bereikend, komen de grote zielen, die de uiteindelijke perfectie bereiken, nooit daar uit waar het tijdelijke en miserabele wordt gevonden. (16) Van [het reiken naar] de hoogste plaats keert men weer terug naar de wereld, o Arjuna, maar als men Mij gevonden heeft, o zoon van Kuntî, wordt men nooit weer opnieuw geboren.

(17) Een duizend tijdperken zijn inbegrepen in een dag voor hen die weten van het Absolute terwijl de nacht die overeenkomstig een duizend tijdperken duurt er is voor de mensen die het verstaan bij dag èn nacht [zie ook 2.69]. (18) Alle levende wezens manifesteren zich [zo] uit het ongemanifesteerde bij het begin van die dag, maar bij het vallen van de nacht worden ze zeker opgenomen in dat wat het ongeziene wordt genoemd. (19) Het geheel van alle wezens dat herhaaldelijk deze geboorte neemt wordt vernietigd bij het vallen van de nacht en uit henzelf, o zoon van Prithâ, verschijnen ze weer bij het aanbreken van de dag. (20) Maar transcendentaal daaraan is er een andere ongeziene natuur naar het ongemanifesteerde, die op de vernietiging van al het gemanifesteerde nooit wordt vernietigd. (21) Het wordt gezegd dat dat ongeziene [het spirituele] onfeilbaar is en gekend wordt als de uiteindelijke bestemming waarvan, het gewonnen hebbend, men nooit meer terugkomt - dat is Mijn allerhoogste verblijfplaats. (22) De oorspronkelijke persoon is Hij in het voorbije, o zoon van Prithâ, die alleen maar kan worden bereikt door zuivere toewijding, in wie al het gemanifesteerde bestaat en van wie alles wat we kunnen zien is doortrokken.

(23) Ik zal nu die tijd beschrijven, o beste van de Bhârata's, naar welke de verschillende soorten van mystici die heengegaan zijn hun doel bereiken en voorzeker naar die tijd wel of niet terugkeren. (24) Die personen die weten van het Absolute en vertrekken gedurende het vuur van het daglicht met een wassende maan gedurende de zes maanden als de zon door het Noorden gaat, bereiken de Allerhoogste Geest. (25) De mysticus die reikt tot het licht van de maan onder de rook van de nacht alsook met een afnemende maan en de zes maanden dat de zon door het Zuiden gaat, komt terug. (26) Volgens de Veda's bestaan er deze twee manieren van het [spirituele] licht en de duisternis [der onwetendheid] in het achter zich laten van deze wereld waardoor men ofwel niet meer terugkeert of wel terugkomt. (27) Door het kennen van ieder van deze verschillende wegen, o zoon van Prithâ, is de yogî nooit in de war; wees derhalve altijd verenigd in de yoga, o Arjuna. (28) De yogî's die van dit alles weten reiken voorbij de resultaten van godvruchtige arbeid zoals verkregen door vedische studie, door het brengen van offers, door versoberingen en zeker ook door het schenken in liefdadigheid en bereiken de oorspronkelijke, allerhoogste verblijfplaats.'


 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu