|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 7: DE YOGA VAN DE WIJSHEID

Over zelfkennis en zelfrealisatie

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Probeer te horen, hoe gehecht in het denken aan Mij, o zoon van Prithâ, onder Mijn zorg de eenwording beoefenend, je dat volledige van Mij zonder enige twijfel kan kennen. (2) Ik zal je nu deze kennis in zijn geheel uiteenzetten samen met de wijsheid ervan en ervan op de hoogte zijnde laat dat je verder niets in deze wereld te kennen over.

(3) Uit duizenden mensen streeft er slechts een enkeling naar perfectie en van hen die op die manier streven is er werkelijk slechts een enkeling die Mij werkelijk kent. (4) Aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en zeker ook vals ego vormen aldus tezamen mijn acht onderscheiden energieën. (5) Probeer te begrijpen dat naast deze lagere energieën er een andere energie is die het superieure van Mij is als de ziel van de levende wezens, o machtig gearmde, welke deze materiële wereld onderhoudt. (6) Al het geschapene wortelt in deze twee, weet dat van alles wat in dit universum inbegrepen is Ik zowel de bron van manifestatie alsook de ontbinding ben.

(7) Voorbij het superieure van Mij, is er verder niets te vinden, o overwinnaar van de weelde; in Mij is alles wat we zien aaneen geregen als parels aan een draad. (8) Ik ben de smaak van water, o zoon van Kuntî, het licht ben Ik van de maan en de zon, de pranava [A.U.M.] in al de Veda's, het geluid in de ether en het mannelijke in de mens. (9) Ook de zuivere geur van de aarde alsook de hitte van het vuur ben Ik en het leven in alle levende wezens en de boete der boetvaardigen ben Ik ook. (10) Weet, o zoon van Prithâ, dat Ik het zaad van alle levende schepselen ben, de oorspronkelijke intelligentie van de intelligenten ben Ik; Ik ben het kunnen van de machtigen. (11) Ik ben de kracht der sterken die vrij is van verlangen en gehechtheid en, o Heer van de Bhârata's, Ik ben het sexleven in alle levende wezens dat in overeenstemming is met de aard ervan [de voortplanting].

(12) En probeer te begrijpen dat van alles wat voorzeker in de geaardheid goedheid, hartstocht en traagheid is en dus van alles dat zo zeker het Mijne is, je Mij niet moet zien als Me in hen bevindend maar dat zij in Mij zijn. (13) Door al deze drie vormen van bestaan die de natuurlijke geaardheden vormen is de hele wereld begoocheld en kent ze Mij niet als het onuitputtelijke Allerhoogste. (14) Deze goddelijke energie van Mij [zoals ze bestaat uit] de drie geaardheden is zeer moeilijk te overwinnen, maar zeker zullen zij die zich aan Mij overgeven dit illusieverwekkende van de materie [mâyâ] te boven komen. (15) Zij die kwaad doen en de dwazen geven zich niet aan Mij over; de laagsten der mensheid wiens kennis is gestolen door deze mâyâ hebben de atheïstische [demonische] aard aangenomen.

(16) Van de zedigen onder de mensen zijn er vier soorten die Mij toegewijd zijn, o Arjuna: zij die in nood verkeren, zij die op onderzoek uit zijn, zij die materieel voordeel wensen en ook diegenen die de zaken zien zoals ze zijn, o grote onder de Bhârata's. (17) Van dezen is hij, die altijd gelijkgericht is in de enkele toewijding van het kennen van de dingen zoals ze zijn, Mij bijzonder dierbaar, daar voorzeker zoals Ik wordt hooggehouden door de persoon van kennis, hij ook Mijn voorkeur geniet. (18) Al dezen van de kennis zijn ongetwijfeld heel nobel, maar hij die in zijn ziel met Mij is verbonden beschouw Ik als Mijn gelijke, daar in Mij zeker de hoogste bestemming wordt gevonden. (19) Na vele levens geeft iemand die Mij kent zich over aan Mijn Universele Werkelijkheid [Vâsudeva], Mij kennende als alles wat er is - zo'n grote ziel treft men dus zelden.

(20) Vanwege uiteenlopende verlangens geven zij die verstoken zijn van kennis zich over aan de halfgoden en hun overeenkomstige regelingen, ze volgend naar gelang hun eigen aard. (21) Wie dan ook vol van geloof welke gedaante van een halfgod ook is toegewijd in aanbidding zoals verlangd; hem schenk Ik zo voorzeker een vast geloof. (22) Begiftigd met die inspiratie verkrijgt hij van die halfgod voor die aanbidding dat waar hij naar streeft en zeker is dat vanuit zijn verlangens zo door Mij alleen geregeld. (23) Niet meer dan vergankelijk zijn de vruchten die tot stand komen van hen die minder intelligent zijn; zij die op de goden uit zijn bereiken hen, terwijl zij die Mijn toegewijden zijn zowel Mij bereiken. (24) De minder intelligenten denken dat Ik Mij manifesteerde vanuit het ongemanifesteerde zonder dat ze weten van Mijn Allerhoogste bestaan dat onvergankelijk is en van het fijnste. (25) Ik ben niet zichtbaar voor iedereen, daar de dwazen zijn overdekt door de illusoire begrippen van eenheid; zij kunnen Mij niet begrijpen als Mij bevindend in het ongeborene en oneindige. (26) Ik weet alles van het verleden, het heden en, o Arjuna, eveneens de toekomst van alle levende wezens, maar Mij kent niemand [werkelijk]. (27) Door de illusie van de dualiteit die zich voordeed uit het hebben van voorkeur en afkeer, o telg van Bhârata, zijn al de levende wezens, vanaf het begin, begoocheld, o overwinnaar der vijanden. (28) De zonden van die personen zijn tot een einde gekomen wiens voorgaande activiteiten zedig waren; ze zijn vrij van de misvatting van de dualiteit en gaan met overtuiging over tot Mijn dienst. (29) Terwille van het bevrijd zijn van geboorte en dood zoeken alle personen die zo te werk gaan hun toevlucht tot Mij en zijn ze feitelijk van het spirituele; ze zijn volledig bekend met alles aangaande de individuele overstijging van materiële activiteiten. (30) Zij die Mij kennen als heersend over allen alsook als het goddelijke en eveneens de offers; zij met hun geesten verbonden in Mij kennen Mij zelfs ook op het tijdstip van hun dood.'


 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu