|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 6: DE YOGA VAN DE MEDITATIE

Over de aard van de yoga en reïncarnatie

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Iemand die zonder hang is naar de vruchten en die zijn werk plichtmatig doet is van de wereldverzakende orde en een yogî, maar niet hij die zonder [offerandes in] het vuur is en zijn plicht niet doet. (2) Weet dat dat wat sannyâs wordt genoemd [de wereldverzakende orde] is wat iemand met het Allerhoogste verbindt, o zoon van Pându; voorzeker zal niemand ooit zo'n transcendentalist worden die niet het motief van de zelfzucht opgeeft. (3) Van de wijze die nog maar net begonnen is zegt men dat het door middel van arbeid is dat men zich verbindt, terwijl van diegenen die het bereikten wordt gezegd dat de gelijkheid het middel van de yoga is. (4) Als hij zeker nooit voor het heil van de zinnen bezig is met de noodzakelijke vruchtdragende arbeid, te dien tijde is hij een verzaker van de zelfzucht verheven in de yoga, zo zegt men. (5) Men moet zichzelf bevrijden door middel van nadenkendheid en zichzelf nooit naar beneden halen, daar voorzeker dat eigenbelang werkelijk zowel de vriend van de ziel als de vijand van het zelf is. (6) Het gewetensvolle is de beste vriend van de levende ziel die zichzelf door middel van zichzelf overwon, maar voor hen die onbezield zijn blijft dezelfde nadenkendheid als een vijand. (7) Zij die gewetensvol overwonnen en aldus de vrede realiseerden hebben de gelijkheid van de Superziel bereikt in kou en hitte, geluk en leed zowel als in eer als oneer. (8) De ziel bevredigd door kennis en wijsheid is in het spirituele en is verenigd in de controle over zijn zinnen en zodoende zegt men, dat de yogî onverschillig is wat betreft een kluit aarde, een steen of goud. (9) En het naar weldoeners, vriend en vijand, neutralen en scheidsrechters, hatende en welwillende verwanten, zowel als naar de zedigen als de zondaren hebben van een gelijke intelligentie, is [zelfs] meer gevorderd.

(10) De spirituele persoon [of yogî] moet altijd zichzelf herinneren, zich alleen in een afgezonderde positie bevindend, met een beheerst bewustzijn, zonder afleiding en zorgen over bezittingen. (11-12) Op een geheiligde plek moet hij niet te laag en niet te hoog een zitplaats regelen, een vulling ['kus'a-gras'] bedekken met een zachte doek ['hertenvel'] en dan zijn drukke geest vrij maken om eenpuntig van hart te zijn met zijn zinnen en activiteiten in het aannemen van yoga-houdingen. (13-14) Het lichaam, het hoofd en de nek recht houdend, niet bewegend, behoort hij te staren naar het puntje van zijn neus zonder ergens anders acht op te slaan. Met een kalm zelf, zonder vrees en trouw aan het celibaat, moet hij die zich verbindt neerzitten om het denken te onderwerpen en zich te concentreren op Mij als het uiteindelijke doel. (15) Voortdurend de bezieling praktizerend zoals gezegd, bereikt de mediterende met een gereguleerd denken de vrede en de hemelse woning der spirituele vereniging. (16) Maar, noch is er yoga als men te veel eet, noch als men excessief vast, en ook niet met iemand die teveel slaapt, of met iemand die wakker blijft, o Arjuna. (17) Met de regulatie van het eten en recreëren, de plichten van onderhoud en de slaap en het waken, zal de yogapraktijk een einde maken aan de misère. (18) Als op deze wijze gedisciplineerd het bewustzijn zeker gevestigd is geraakt in het bovenzinnelijke zonder hang naar zinsbevrediging, dan zegt men dat men is verenigd [of in dienst is]. (19) De vergelijking met een lamp die buiten de wind niet flakkert, is waar men aan herinnerd wordt met een yogî wiens uitgebalanceerde bewustzijn verbonden is in het voortdurend bezig zijn in de ziel. (20-23) In die staat, waarin het bewustzijn tot rust komt door het doen van yoga vindt het zelf, dat zich zijn positie realiseert in het nadenkende van de ziel, zijn bevrediging. Het opperste geluk, waarvan men weet dat men zich er door intelligentie in het transcendente toegang toe kan verschaffen, zal voorzeker hem die zich er in bevindt nooit van de waarheid doen afdwalen. En wat nog meer je ook toevalt met het bereiken ervan wordt nooit beschouwd als zijnde meer dan dat, daar in die positie geen vorm van ellende, hoe moeilijk ook, je uit evenwicht kan brengen. Weet dat de vormen van ellende die resulteren uit het contact met de materie oplossen in deze eenmaking van de yoga. (24) Die yoga moet men in de praktijk brengen met een vaste overtuiging zonder af te dwalen in verstandelijke gissingen die uit lust worden geboren; men is zeker van al dit totale verzaken door de geest in het regelen van het hele zinsapparaat in alle opzichten.

(25) Geleidelijk aan, stap voor stap behoort men intelligent de geest terug te trekken met behulp van de overtuiging, die op het transcendente richtend, zonder er zelfs maar aan te denken het op een andere manier te maken. (26) Vanwaar de geprikkelde, wankelmoedige en instabiele geest ook dwaalt, moet men hem zeker terug leiden onder de controle van het beheersende zelf. (27) Deze yogî, wiens denken tot vrede is gebracht, bereikt met de tot rust gekomen hartstochten de spirituele bevrijding van het verlost zijn van alle terugslagen van zonde. (28) Op die manier altijd de ziel bezighoudend is de yogî bevrijd van zonde in de bovenzinnelijke vreugde van spirituele vereniging en bereikt hij aldus het nimmer eindigend geluk ervan. (29) De ziel in alle wezens en alle wezens in de ziel - dat is hoe iemand in de spirituele vereniging van de yoga overal ziet met gelijke blik. (30) Voor wie dan ook, die Mij overal ziet en alles in Mij ziet, ben Ik nooit verloren noch is hij verloren voor Mij. (31) Hij die Mij is toegewijd als Mij bevindend in het hart van een ieder, verwijlt in eenheid en wat de omstandigheden van een dergelijke transcendentalist ook zijn, hij zal altijd in Mij blijven. (32) Hij, o Arjuna, die, de vreugde en het verdriet overal vergelijkend, het gelijk beziet - een dergelijke yogî wordt beschouwd als zijnde de beste.'

(33) Arjuna zei: 'Van dit yoga-systeem in het algemeen door Jou uiteengezet, o Madhusûdana, zie ik, vanwege mijn rusteloosheid, de stabiliteit niet werken. (34) De geest is zeker wispelturig, o Krishna, hij brengt je van streek, is sterk en opstandig en die te onderwerpen is, denk ik, zo moeilijk als het beheersen van de wind.'

(35) De Opperheer zei: 'Ongetwijfeld, o machtig gearmde, is de rusteloze geest moeilijk in toom te houden, maar met vasthoudendheid, o zoon van Kuntî, en ook door onthechting kan hij worden beheerst. (36) Met een slecht gedisciplineerde geest is zelfverwerkelijking moeilijk, zoals Ik het zie, maar tewerk gaand met een praktische instelling naar behoren controle uitoefenend zal men het bereiken.'

(37) Arjuna zei: 'Wat is de lotsbestemming, o Krishna, die hem ten deelt valt die van zijn geloof viel en van het pad van de yoga afwijkt met zo'n geest die faalt in de hoogste volmaaktheid? (38) Gaat zo een iemand die beide [het geloof en de praktijk] kwijtgeraakt is niet ten onder als een verwaaide wolk zonder houvast, o machtig Gearmde, verward over het pad van het transcendente als hij is? (39) Dit is mijn twijfel, o Krishna, en ik vraag Je deze in z'n geheel te verdrijven, daar behalve Jou, er zeker geen ander te vinden is die de twijfel wegneemt.'

(40) De Allerhoogste Heer zei: 'O zoon van Prithâ, nooit is er in deze wereld, noch in de volgende vernietiging voor degene die bezig is met goede werken; voorzeker zal hij die het goede doet nooit in moeilijkheden eindigen. (41-42) Na het bereiken van de werelden van hen die zedig te werk gingen en na een verblijf van vele jaren aldaar, zal hij die viel van het pad van de yoga opnieuw geboorte nemen in het huis van hen die het goed gaat en zuiver zijn, of hij zal zeer zeker geboorte nemen in de familie van ervaren ingewijden in de yoga, alhoewel een dergelijke geboorte natuurlijk zeer zeldzaam is in deze wereld. (43) Daarna, zal hij het bewustzijn weer opwekken gewonnen in zijn vorige belichaming en zal hij opnieuw naar de perfectie streven, o zoon van Kuru. (44) Door die voorgaande praktijk, zal hij zich zeker uit zichzelf aangetrokken voelen en zelfs navraag doen naar de yoga en de routines van riten en gebeden overstijgen. (45) Methodisch tewerk gaand zal een dergelijke transcendentalist, al zijn zonden weggewassen ziend in het bereiken van de volmaaktheid door vele vele geboorten, daarna het hoogste doel [van de zelfverwerkelijking] bereiken. (46) Een yogî is groter dan de asceten en de wijzen en ook wordt een yogî beschouwd als zijnde groter dan zij die voor het profijt werken, derhalve o Arjuna, wordt een yogî. (47) En van alle soorten van yogî's, beschouw Ik degene, die uit volle overtuiging altijd in zichzelf aan Mij denkt en bovenzinnelijke dienst verricht, als de grootste.' 


 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu