HOOFDSTUK
2b:
DE
YOGA VAN DE ANALYTISCHE KENNIS
Over
de vruchten van de
arbeid
(2.38-72)
(39)
'Dit alles wat ik je beschreef ging over de analytische
studie van de intelligentie in yoga, maar luister nu hoe,
in het verbonden zijn met die intelligentie, o zoon van
Prithâ, je kan worden bevrijd van de gebondenheid
van vruchtdragende arbeid [karma].
(40)
Erin ondernemend, zal er nooit verlies of vermindering
zijn en als je er een beetje moeite voor doet bevrijdt
het je van het grootste gevaar. (41)
Zij die vastberaden zijn naar de ziel, zijn in
intelligentie één, o kind van de Kuru's,
terwijl zij die niet van die vastbeslotenheid zijn een
intelligentie hebben die inderdaad eindeloos vertakt is.
(42-43)
Al deze bloemrijke woorden worden [ook] door
mensen met weinig kennis gebruikt die de Veda's navolgen
en, o zoon van Prithâ, uitroepen dat er verder
niets bij komt kijken. Met hun harten vol van verlangen
mikken ze op hogere sferen, een goede geboorte en de
gunst van resultaten middels verschillende pompeuze
ceremoniën voor het genoegen van hun zintuigen en om
er in weelde op vooruit te gaan. (44)
Zij die door zulke zaken al te gehecht zijn geraakt aan
materiële genoegens en weelde, zijn in hun denken
verbijsterd en komen nooit tot de vastbeslotenheid van
een geest die door intelligentie wordt beheerst.
(45)
De vedische literatuur handelend over de geaardheden der
natuur [goedheid, hartstocht en onwetendheid]
zegt je ze te overstijgen Arjuna, omdat buiten de
dualiteit, gefixeerd in de eeuwigheid der goedheid, de
ziel wordt bereikt die onbekommerd is over bezitten en
het verwerven van bezit. (46)
Al het goede van water gevonden in een enkele bron wordt
in alle opzichten aangetroffen in een groot vergaarbekken
- dienovereenkomstig kan alles wat men aantreft in de
Veda's worden gewaardeerd in een spiritueel mens die
volkomen is in de kennis.
(47)
Je hebt zeker het recht je plicht te doen maar niet de
claim over de vruchten wanneer dan ook; zie jezelf nooit
als de oorzaak van de resultaten daar je nooit
gehechtheid moet laten samengaan met een religieuze
plicht. (48)
Doe je werk op die manier verbonden blijvend in het
opgeven van die gedachtengang, o Dhanañjaya
[Arjuna als degene die de weelde verovert] en
blijf evenwichtig in slagen en falen daar de realisatie
van deze gelijkmoedigheid is wat yoga wordt genoemd.
(49)
Hou jezelf voorzeker verre van verwerpelijke handelingen
met die intelligentie van de yoga, Dhanañjaya, in
de volle overgave van een dergelijk bewustzijn - want het
zijn de miserabelen die pogingen doen terwille van de
opbrengst. (50)
Iemand gelijk gericht in deze intelligentie kan in dit
leven van zowel een goede als een kwalijke uitkomst af
komen, derhalve, terwille van de yoga, ga te werk in
verbondenheid; dat is de kunst in alle activiteiten.
(51)
Verzonken zijn in het verrichten van arbeid hiervoor en
gelijk gericht zijn in de intelligentie van het opgeven
van de resultaten, heeft de grote wijzen en toegewijden
bevrijd van de gebondenheid aan dood en geboorte met het
bereiken van een positie van vrijheid van ellende.
(52)
Als je intelligentie de verwarring van de illusie te
boven komt, zal je op dat moment onverschillig staan
tegenover dit alles waarover je nu zult vernemen en
waarvan je reeds gehoord hebt. (53)
Als, zonder verward te zijn over resultaten met deze
ontboezemingen, je onbewogen blijft in overstijging, met
een gefixeerde intelligentie, dan zal je de
zelfverwerkelijking bereiken.'
(54)
Arjuna zei: 'Wat zijn de kenmerken van iemand die
gefixeerd is in zijn bewustzijn, in transcendentie - en
wat zegt iemand die gefixeerd is in de wijsheid, hoe
houdt hij zich rustig en hoe beweegt hij?'
(55)
De Allerhoogste Heer zei: 'Als men de verschillende
verlangens en het gepieker voor zichzelf opgeeft, o zoon
van Prithâ, op dat ogenblik, zegt men dat men,
bevredigd door die gezuiverde geest, stabiel wordt in het
bewustzijn. (56)
Zij die zonder zich zorgen te maken de misère
onder ogen zien en zonder interesse het geluk bezien en
zij die vrij zijn van gehechtheid, angst en woede, worden
wijzen genoemd [muni's] wiens meditatie stabiel
is. (57)
Hij die, of hij er nu het goede of kwade mee bereikt, er
wanneer dan ook onaangedaan onder is en noch voorkeur
koestert noch haat, is gefixeerd in volmaakte kennis.
(58)
Als zijn bewustzijn gefixeerd is trekt hij zoals een
schildpad dat doet met zijn poten, al zijn zinnen terug
van de zinsobjecten. (59)
Door restricties kan men afzien van de zinsobjecten, maar
voor de belichaamde ziel die de smaak opgeeft blijft de
relatie bestaan waar hij, die het hogere ervaart, van
afziet. (60)
Al ondernemend leiden, ondanks, o zoon van Kuntî,
het volle onderscheidingsvermogen van iemand, de zinnen
zeker met geweld de geest af door hem van streek te
brengen. (61)
Al die zinnen die bezig zijn onder controle houdend,
behoort men zich te bevinden in de relatie met het
voorbije, daar hij die zijn zinnen volledig heeft
onderworpen voorzeker gevestigd is in wijsheid.
(62)
Tegenover de objecten van de zintuigen ontwikkelt een
persoon gehechtheid voor die objecten. Van die
gehechtheid ontwikkelt zich verlangen en uit dat
verlangen ontstaat de woede [de drift van de
passie]. (63)
Van de woede [het kwijtraken van je orde] raakt
men in staat van illusie en door de illusie raakt het
geheugen verbijsterd. Met een gestoord geheugen verliest
men zijn intelligentie en door dat verlies aan
intelligentie komt men ten val. (64)
Maar iemand die bevrijd is geraakt van gehechtheid en
afkeer, met de zinnen die op de zinsobjecten reageren
onder controle, zal, zichzelf aldus regulerend, de
helderheid bereiken. (65)
Vanuit die rust zal aan alle ellende een eind komen en
door zo'n gelukkige geest zal de intuïtie afdoende
gevestigd raken. (66)
Er kan geen intelligentie zijn als men hier niet mee op
één lijn is en zonder die verbondenheid zal
men niet stabiel zijn in zijn respect; hoe kan iemand die
vrede missend van zulk een onvrede nu gelukkig zijn?
(67)
Het denken dat met de zinnen ronddoolt raakt voorzeker in
beslag genomen [door het materiële belang]
daar de intelligentie wordt meegevoerd zoals de wind een
boot op het water meevoert. (68)
Derhalve is, o machtig gearmde, iemand die zijn zinnen
heeft weten in te perken weg van de zinsobjecten, van een
stabiele intelligentie. (69)
Voor wat nacht is voor alle levende wezens, zijn de
zelfbeheersten waakzaam en voor wat al deze wezens
waakzaam zijn, is als nacht voor de in zichzelf gekeerde
wijze. (70)
Zoals de oceaan die stabiel is in het altijd gevuld raken
door de wateren die erin uitkomen, zo ook is een
vreedzaam persoon stabiel met de verlangens die opkomen
en niet hij die van verlangen is. (71)
Een persoon die alle verlangens heeft opgegeven en vrij
leeft van hunkeren naar, zonder te streven naar
bezittingen en zonder zich te identificeren met het
lichaam, bereikt de vrede. (72)
Deze spirituele zijnstoestand, o zoon van Prithâ,
zal nooit als je hem bereikt je van je verstand beroven.
Als je erin gevestigd bent, is zelfs pas aan het einde
van het leven het koninkrijk der hemelen ermee
bereikt.'