|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 2b:

DE YOGA VAN DE ANALYTISCHE KENNIS

Over de vruchten van de arbeid (2.38-72)

(39) 'Dit alles wat ik je beschreef ging over de analytische studie van de intelligentie in yoga, maar luister nu hoe, in het verbonden zijn met die intelligentie, o zoon van Prithâ, je kan worden bevrijd van de gebondenheid van vruchtdragende arbeid [karma]. (40) Erin ondernemend, zal er nooit verlies of vermindering zijn en als je er een beetje moeite voor doet bevrijdt het je van het grootste gevaar. (41) Zij die vastberaden zijn naar de ziel, zijn in intelligentie één, o kind van de Kuru's, terwijl zij die niet van die vastbeslotenheid zijn een intelligentie hebben die inderdaad eindeloos vertakt is. (42-43) Al deze bloemrijke woorden worden [ook] door mensen met weinig kennis gebruikt die de Veda's navolgen en, o zoon van Prithâ, uitroepen dat er verder niets bij komt kijken. Met hun harten vol van verlangen mikken ze op hogere sferen, een goede geboorte en de gunst van resultaten middels verschillende pompeuze ceremoniën voor het genoegen van hun zintuigen en om er in weelde op vooruit te gaan. (44) Zij die door zulke zaken al te gehecht zijn geraakt aan materiële genoegens en weelde, zijn in hun denken verbijsterd en komen nooit tot de vastbeslotenheid van een geest die door intelligentie wordt beheerst. (45) De vedische literatuur handelend over de geaardheden der natuur [goedheid, hartstocht en onwetendheid] zegt je ze te overstijgen Arjuna, omdat buiten de dualiteit, gefixeerd in de eeuwigheid der goedheid, de ziel wordt bereikt die onbekommerd is over bezitten en het verwerven van bezit. (46) Al het goede van water gevonden in een enkele bron wordt in alle opzichten aangetroffen in een groot vergaarbekken - dienovereenkomstig kan alles wat men aantreft in de Veda's worden gewaardeerd in een spiritueel mens die volkomen is in de kennis.

(47) Je hebt zeker het recht je plicht te doen maar niet de claim over de vruchten wanneer dan ook; zie jezelf nooit als de oorzaak van de resultaten daar je nooit gehechtheid moet laten samengaan met een religieuze plicht. (48) Doe je werk op die manier verbonden blijvend in het opgeven van die gedachtengang, o Dhanañjaya [Arjuna als degene die de weelde verovert] en blijf evenwichtig in slagen en falen daar de realisatie van deze gelijkmoedigheid is wat yoga wordt genoemd. (49) Hou jezelf voorzeker verre van verwerpelijke handelingen met die intelligentie van de yoga, Dhanañjaya, in de volle overgave van een dergelijk bewustzijn - want het zijn de miserabelen die pogingen doen terwille van de opbrengst. (50) Iemand gelijk gericht in deze intelligentie kan in dit leven van zowel een goede als een kwalijke uitkomst af komen, derhalve, terwille van de yoga, ga te werk in verbondenheid; dat is de kunst in alle activiteiten. (51) Verzonken zijn in het verrichten van arbeid hiervoor en gelijk gericht zijn in de intelligentie van het opgeven van de resultaten, heeft de grote wijzen en toegewijden bevrijd van de gebondenheid aan dood en geboorte met het bereiken van een positie van vrijheid van ellende. (52) Als je intelligentie de verwarring van de illusie te boven komt, zal je op dat moment onverschillig staan tegenover dit alles waarover je nu zult vernemen en waarvan je reeds gehoord hebt. (53) Als, zonder verward te zijn over resultaten met deze ontboezemingen, je onbewogen blijft in overstijging, met een gefixeerde intelligentie, dan zal je de zelfverwerkelijking bereiken.'

(54) Arjuna zei: 'Wat zijn de kenmerken van iemand die gefixeerd is in zijn bewustzijn, in transcendentie - en wat zegt iemand die gefixeerd is in de wijsheid, hoe houdt hij zich rustig en hoe beweegt hij?'

(55) De Allerhoogste Heer zei: 'Als men de verschillende verlangens en het gepieker voor zichzelf opgeeft, o zoon van Prithâ, op dat ogenblik, zegt men dat men, bevredigd door die gezuiverde geest, stabiel wordt in het bewustzijn. (56) Zij die zonder zich zorgen te maken de misère onder ogen zien en zonder interesse het geluk bezien en zij die vrij zijn van gehechtheid, angst en woede, worden wijzen genoemd [muni's] wiens meditatie stabiel is. (57) Hij die, of hij er nu het goede of kwade mee bereikt, er wanneer dan ook onaangedaan onder is en noch voorkeur koestert noch haat, is gefixeerd in volmaakte kennis. (58) Als zijn bewustzijn gefixeerd is trekt hij zoals een schildpad dat doet met zijn poten, al zijn zinnen terug van de zinsobjecten. (59) Door restricties kan men afzien van de zinsobjecten, maar voor de belichaamde ziel die de smaak opgeeft blijft de relatie bestaan waar hij, die het hogere ervaart, van afziet. (60) Al ondernemend leiden, ondanks, o zoon van Kuntî, het volle onderscheidingsvermogen van iemand, de zinnen zeker met geweld de geest af door hem van streek te brengen. (61) Al die zinnen die bezig zijn onder controle houdend, behoort men zich te bevinden in de relatie met het voorbije, daar hij die zijn zinnen volledig heeft onderworpen voorzeker gevestigd is in wijsheid. (62) Tegenover de objecten van de zintuigen ontwikkelt een persoon gehechtheid voor die objecten. Van die gehechtheid ontwikkelt zich verlangen en uit dat verlangen ontstaat de woede [de drift van de passie]. (63) Van de woede [het kwijtraken van je orde] raakt men in staat van illusie en door de illusie raakt het geheugen verbijsterd. Met een gestoord geheugen verliest men zijn intelligentie en door dat verlies aan intelligentie komt men ten val. (64) Maar iemand die bevrijd is geraakt van gehechtheid en afkeer, met de zinnen die op de zinsobjecten reageren onder controle, zal, zichzelf aldus regulerend, de helderheid bereiken. (65) Vanuit die rust zal aan alle ellende een eind komen en door zo'n gelukkige geest zal de intuïtie afdoende gevestigd raken. (66) Er kan geen intelligentie zijn als men hier niet mee op één lijn is en zonder die verbondenheid zal men niet stabiel zijn in zijn respect; hoe kan iemand die vrede missend van zulk een onvrede nu gelukkig zijn? (67) Het denken dat met de zinnen ronddoolt raakt voorzeker in beslag genomen [door het materiële belang] daar de intelligentie wordt meegevoerd zoals de wind een boot op het water meevoert. (68) Derhalve is, o machtig gearmde, iemand die zijn zinnen heeft weten in te perken weg van de zinsobjecten, van een stabiele intelligentie. (69) Voor wat nacht is voor alle levende wezens, zijn de zelfbeheersten waakzaam en voor wat al deze wezens waakzaam zijn, is als nacht voor de in zichzelf gekeerde wijze. (70) Zoals de oceaan die stabiel is in het altijd gevuld raken door de wateren die erin uitkomen, zo ook is een vreedzaam persoon stabiel met de verlangens die opkomen en niet hij die van verlangen is. (71) Een persoon die alle verlangens heeft opgegeven en vrij leeft van hunkeren naar, zonder te streven naar bezittingen en zonder zich te identificeren met het lichaam, bereikt de vrede. (72) Deze spirituele zijnstoestand, o zoon van Prithâ, zal nooit als je hem bereikt je van je verstand beroven. Als je erin gevestigd bent, is zelfs pas aan het einde van het leven het koninkrijk der hemelen ermee bereikt.'


 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu