|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

 

HOOFDSTUK 18b: DE YOGA VAN BEVRIJDING DOOR VERZAKING

Over verzaking en de dienstbaarheid ervan met de verdelingen van de samenleving als het uiteindelijke van de bevrijding. 

(41) 'O bestraffer van de vijand, de activiteiten van de intellectuelen en de priesters (brahmanen), de bestuurders en de militairen (kshatriya's), de handelaren en de boeren (vais'ya's) en de dienaren en arbeiders (s'ûdra's), zijn verdeeld naar hun eigen natuur die ontspringt aan de drie geaardheden. (42) Gelijkmoedig, zelfbeheerst, sober, zuiver, tolerant en zeker recht door zee, van wijsheid en geloof in God is van een brahmaan de activiteit die voortkomt uit zijn eigen aard. (43) Moedig, krachtig, vastberaden, vindingrijk in oppositie en niet op de vlucht slaand, vrijgevig zijnd en de leiding nemend is de bezigheid die ontspruit aan de aard van de kshatriya. (44) Ploegen, het houden van koeien en handel drijven is de natuurlijke manier van doen van een vais'ya terwijl de aard van de plicht van een s'ûdra bestaat uit het van dienst zijn.

(45) Als een ieder zijn plicht vervuld wint de mens aan volmaaktheid. Luister nu hoe, je van je eigen taak kwijtend, die volwassenheid wordt bereikt. (46) Uit wie alle levende wezens voortkwamen, door wie dit alles is doordrongen; de eigen plichten vervullend jegens Hem, bereikt een mens de volmaaktheid. (47) Het is beter met de eigen plicht geen succes te hebben dan het er volmaakt van af te brengen je met andermans zaken te bemoeien, aangezien, met het je tot je eigen aard beperken in het doen van je werk, je nooit op overtredingen uitkomt. (48) Hoewel fouten zich voordoen met het werken voor een resultaat, o zoon van Kuntî, behoort men het nooit op te geven, daar voorzeker alle begin met fouten gepaard gaat op de manier zoals vuur in rook is gehuld. (49) Met een ongehinderde intelligentie in alle opzichten zichzelf in de hand hebbend en met de hunkering verdwenen, bereikt men door de wereldverzakende orde de volmaaktheid van de vrijheid van terugslagen.

(50) Begrijp van Me hoe samengevat, o zoon van Kuntî, met het bereiken van het meesterschap, zonder mankeren het spirituele wordt bereikt; het stadium van de kennis die bovenzinnelijk is. (51-53) Met de intelligentie volledig in het reine, verbonden in vastbeslotenheid als eveneens zichzelf gereguleerd hebbend in het opgeven van acht te slaan op dingen als geluiden en afziend van hartstocht en een negatieve houding; levend in afzondering, weinig etend, met de spraak, de geest en het lichaam onder controle, de hele dag in het voorbije van de meditatie zijn toevlucht zoekend in de onthechting; niet geïdentificeerd met het lichaam, fysieke macht, valse trots, lust, woede en zonder materieel vergaren, komt men, bevrijd van bezitsdrang in vrede in aanmerking voor spirituele realisatie. (54) Een spiritueel leven leidend is de ziel tevreden gesteld, jammer je nooit ergens over, of begeer je iets en staat men gelijkgezind tegenover alle levende wezens; men reikt tot het transcendentale van Mijn toegewijde dienst. (55) Door zich in te zetten kan men Mij kennen zoals Ik werkelijk ben; Mij aldus in waarheid kennend bereikt men daaropvolgend zijn doel. (56) Ondanks het feit dat men altijd in allerlei activiteiten verwikkeld is, bereikt men, bij de genade van Mijn bescherming de onvergankelijke eeuwige verblijfplaats. (57) Wordt je enkel bewust van Mij de hele dag, door moedwillig allerlei activiteiten op te geven onder Mijn leiding, je toevlucht nemend tot de intelligentie van de eenheid van de yoga. (58) Bewust van Mij zal je alle tegenslagen te boven komen door Mijn genade, maar als je, je identificerend met het lichaam, niet luistert, zal je verdolen. (59) Als, met een hang naar vals ego, je denkt niet te moeten vechten, dan is je overtuiging volkomen verkeerd; door je materiële positie zal je tot actie moeten overgaan. (60) Vanuit je eigen gezichtspunt, o zoon van Kuntî, gevangen in je eigen handelingen, geef je er de voorkeur aan niet over te gaan tot dat wat je uit begoocheling zelfs onwillekeurig zal doen. (61) De Allerhoogste Meester verblijft in het hart van alle levende wezens, o Arjuna, ieder schepsel sturend dat onderworpen is aan het mechanische van de tijd en de materie. (62) Wees er zeker van je in alle opzichten aan Hem over te geven, o zoon van Bharata; door Zijn genade zal je de bovenzinnelijke woning der eeuwige vrede deelachtig zijn. (63) Aldus is het belangrijker geheim van de vertrouwelijke kennis door Mij uiteengezet; dit alles in overweging nemend, doe wat je doen wilt.

(64) Verneem nog een keer van Mij over dit hoogst vertrouwelijke van het allerhoogste onderricht; je bent me zeer dierbaar en daarom zeg Ik het je voor je eigen bestwil. (65) Aan Mij denkend, je als Mijn toegewijde ontwikkelend, je Mij je eerbetuigingen biedend iemand wordend die Mij aanbidt; zal je voorzeker in waarheid tot Mij komen - dit beloof Ik je, daar je Mij dierbaar bent. (66) Ga, laat de verschillende vormen van religie achter je, om je aan Mij alleen over te geven; Ik zal je bevrijden van al de gevolgen van de zonde, maak je geen zorgen! (67) Dit moet je nooit aan iemand vertellen die niet van ophouden weet, nimmer, wanneer ook, aan een niet-toegewijde, nooit aan iemand die niet wil luisteren, noch aan iemand die rancune jegens Mij koestert. (68) Een ieder die over dit hoogst vertrouwelijke geheim van Mij uitleg verschaft aan toegewijden, verricht bovenzinnelijke toegewijde dienst aan Mij en zal zonder twijfel zeker tot Mij komen. (69) Er zal nooit iemand onder de mensen zijn die Mij meer dierbaar is dan hij, noch zal er ook niet iemand op aarde zijn die Mij meer dierbaar zal worden dan hij. (70) Hij die dit heilige gesprek van ons gaat bestuderen; door hem zal Ik, met het offer van de geestelijke kennis, aanbeden zijn. Zo is het naar Mijn idee. (71) Een mens die met geloof luistert en vrij is van afgunst; ook hij, bevrijd zijnde, zal het goedgunstige bereiken van de levenssfeer der deugdzamen. (72) O zoon van Prithâ, heb je dit alles aangehoord met je denken geconcentreerd? Is nu de begoocheling teweeggebracht door je gebrek aan kennis verdreven, o overwinnaar van de weelde?'

(73) Arjuna zei: 'Ik ben mijn misvattingen nu te boven gekomen, door Jouw genade schiet het me nu weer te binnen. Met het wegnemen van al mijn twijfels, o Onfeilbare, ben ik er klaar voor om Jouw woorden in de praktijk te brengen.'

(74) Sañjaya zei: "Aldus hoorde ik van dit gesprek tussen Vâsudeva en de grote ziel Arjuna, dat zo schitterend is, dat het Mijn haren overeind doet staan. (75) Door de genade van Vyâsadeva heb ik dit vertrouwelijke persoonlijk spreken over het allerhoogste van de yoga, rechtstreeks vernomen van de meester van de Yoga Krishna Zelve. (76) O Koning, het keer op keer overdenken van deze prachtige boodschap zo heilig van Kes'ava en Arjuna, verzet me telkens weer in de opperste vreugde. (77) En eveneens bij herhaling terugdenkend aan de allermooiste vorm van de Heer, vervuld me met grote verwondering, o Koning, en maakt me telkens weer blij van hart. (78) Ik ben ervan overtuigd dat waar men ook de Heer van de Yoga Krishna en de zoon van Prithâ, uitgerust met de boog en de pijlen, aantreft, dat men daar van weelde, victorie, grote macht en moraal is verzekerd."

 

Aldus eindigt de Bhagavad Gîtâ zoals opgetekend door S'rîla Vyâsadeva in de Mahâbhârata; Bhîshma Parva, hoofdstuk 23-40, vertaald, tot één geheel samengevoegd en op het Internet gezet door Anand Aadhar Prabhu zo getrouw aan het oorspronkelijke Sanskriet als mogelijk.


 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu