|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden(compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 18a: DE YOGA VAN BEVRIJDING DOOR VERZAKING

Over verzaking en de drievoudige aard ervan.

(1) Arjuna zei: 'Eén voor één wil ik te weten komen hoe het zit met de werkelijkheid van de wereldverzakende orde, o machtig gearmde, en begrijpen wat verzaking is, o meester der zinnen, doder van Kes'î.' [Kes'î was een dol paard dat ooit door Krishna werd verslagen]

(2) De Allerhoogste Heer zei: 'Het verlangen van de [materiële] handelingen opgeven is wat de geleerden kennen als de wereldverzakende orde [sannyâs] terwijl het afzien van alle vruchten van handelen is wat zij die ervaren zijn verzaking [tyâga] noemen. (3) Eén groep van grote geesten zegt dat vruchtdragende arbeid [karma] een kwaad is en dus moet worden opgegeven terwijl anderen zeggen dat de werken der opoffering, liefdadigheid en boete in dezen nooit mogen worden verzaakt. (4) Om zeker te zijn over deze verzaking, o beste der Bhârata's, verklaart men dat ze in feite van drieërlei aard is, o tijger onder de mensen. (5) Opoffering, liefdadigheid en boete, behoren nooit te worden opgegeven en voorzeker verplicht tot die offers, vrijgevigheid en inkeer is er zelfs voor de grote zielen zuivering. (6) Maar met al deze handelingen moet zonder twijfel, ze uit plichtsbesef doend, de koppeling met hun resultaten worden opgegeven; dat, o zoon van Prithâ, is Mijn laatste en beste woord erover.

(7) Verzaking dan van activiteiten houdt nooit in dat men afziet van voorgeschreven plichten; een verzaking op die manier geleid door illusie wordt verklaard van onwetendheid te zijn. (8) Hij die zich bezighoudt met verzaking en het opgeeft uit angst, omdat een dergelijke werklast misschien wel te moeilijk is of ongemak voor het lichaam inhoudt, is voorzeker van de hartstocht en nooit zeker van haar uitkomst. (9) Voorgeschreven arbeid zo daadwerkelijk gedaan uit discipline, o Arjuna, en in combinatie met het afzien van het resultaat - die verzaking is, in Mijn visie, van de goedheid. (10) De verzaker die nooit een hekel koestert aan onaangenaam werk, noch gehecht raakt aan het aangename, is verzonken in de goedheid en heeft een intelligentie die vrij is van twijfel. (11) Het is zeker niet mogelijk voor een belichaamd iemand om in alle handelingen tezamen van de verzaking te zijn, maar een verzaker wordt iedereen genoemd die een verzaker is van de vrucht der arbeid. (12) De drie soorten van karmische consequenties van zien dat alles tot de hel leidt, dat men tot de hemel reikt of dat men een combinatie van dezen heeft, komen na het achter zich laten van de wereld voor hen die niet aan verzaking deden, maar dit is nooit het geval voor de wereldverzakende orde.

(13) Begrijp goed van Me dat gezegd wordt dat, tot slot van de vedische analyse, o machtig gearmde, voor de perfectie van alle handelingen, er deze vijf factoren zijn: (14) De plaats, degene die handelt, de verschillende soorten van middelen en de afzonderlijke manieren, als zeker ook het goddelijke als de vijfde. (15) Dezen zijn de vijf die leiden tot al het karma dat men fysiek op zich neemt, in woorden en gedachten, het juiste doend of het tegengestelde. (16) Dus, een ieder die zijn ziel in dezen ziet als de enige factor wordt dan niet geleid door intelligentie; hij is van een dwaze opvatting. (17) Iemand wiens aard zich nimmer valselijk vereenzelvigt; iemand wiens intelligentie nimmer verblind is; hij, zelfs al doodt hij in deze wereld, doodt nimmer, noch raakt hij verstrikt.

(18) Kennis, het gekende en de kenner zijn de drie prikkels tot handelen; de zinnen [of zins-organen], het karma en degene die handelt zijn, zoals je weet, de drie bestanddelen. (19) Men zegt dat de kennis, het handelen en degene die handelt zeker ook van drieërlei aard zijn in termen van de drie geaardheden der natuur; verneem eveneens hoe zij allen van elkaar te onderscheiden zijn. (20) Die kennis waardoor men de onvergankelijke grond van alle levende wezens ziet als onverdeeld hoewel ze qua aantal verdeeld zijn, moet je kennen als verkerend in de goedheid. (21) Maar die kennis welke door verdeeldheid naar de verschillende situaties [die grond] begrijpt als verschillend in al de levende wezens moet je kennen als zijnde van de hartstocht. (22) En dat [weten] welk gefixeerd is op één soort van arbeid alsof dat alles zou zijn, is ongegrond, mist de werkelijkheid en is te gemakkelijk; het wordt verklaard duister te zijn.

(23) Dat handelen dat gereguleerd is, zonder gehechtheid, voorkeur of afkeer en wordt gedaan zonder baatzucht wordt gezegd van de goedheid te zijn. (24) Die arbeid echter die wordt verricht met fanatiek najagen, het geïdentificeerd zijn met de materie, of wederom wordt gedaan onder het uitoefenen van veel druk; wordt gezegd in de geaardheid hartstocht te verkeren. (25) Maar dat werken dat uit is op gehechtheid, dat destructief is, leed veroorzaakt en geen acht slaat op de gevolgen of wordt begonnen met een verkeerd begrip van het eigen kunnen; dat wordt gezegd van de onwetendheid te zijn.

(26) Een werker die bevrijd is van gehechtheid, die niet in dienst staat van het lichaam, gekwalificeerd is en met overtuiging er het beste van maakt, onwankelbaar is in het bereiken van het doel en in geval van mislukking, zegt men is in de geaardheid goedheid. (27) Een werker wordt verklaard van de hartstocht te zijn als hij zeer gehecht is in zijn verlangen te werken voor het resultaat, begerig is, van een gewelddadige aard, onzuiver in zijn motieven en zich laat leiden door vreugde en verdriet. (28) Niet verbonden, materialistisch, koppig, bedrieglijk, tegen anderen ingaand, lui, neerslachtig en alles voor zich uitschuivend is wat men zegt van de werker in de geaardheid onwetendheid.

(29) O overwinnaar van de weelde, luister nu als Ik in detail voor je uiteenzet hoe de afzonderlijke typen van intelligentie en overtuiging voorzeker ook in drie soorten naar de geaardheden der natuur van elkaar verschillen. (30) O zoon van Prithâ, begrip, dat weet hoe vooruit te komen en hoe ervan af te zien, wat wel en wat niet moet worden gedaan, wat men behoort te vrezen en wat niet en wat gebondenheid is en wat van de bevrijding is; weet dat dat van de goedheid is. (31) Niet precies wetend wat overeenkomt met de oorspronkelijke aard en wat er tegenin gaat, wat het goede is en wat verkeerd zou zijn; die intelligentie, o zoon van Prithâ, is in de geaardheid hartstocht. (32) De intelligentie welke op die manier versluierd is door illusie en denkt dat onrecht de ware aard is en dat alles de verkeerde kant opgaat; die intelligentie, o zoon van Prithâ, is van de onwetendheid.

(33) Die houding welke door een ongebroken yogapraktijk de activiteit van het denken, de levenskracht en de zins-organen onder controle houdt; die vastbeslotenheid, o zoon van Prithâ, is van de geaardheid goedheid. (34) Maar de manier van doen, o Arjuna, waarmee men vasthoudt aan de rechtgeaarde plicht, het plezier en de materiële vooruitgang uit gehechtheid in het begeren van de vruchten; die overtuiging, o zoon van Prithâ is in de geaardheid hartstocht. (35) Die wil waarmee men het slapen, vrezen, weeklagen, het laten afhangen en zeker ook het veronderstellen nooit opgeeft, is van een onintelligente houding in de geaardheid onwetendheid, o zoon van Prithâ.

(36) Maar verneem nu van Mij over de drie soorten van geluk die men geniet door vasthoudendheid, o beste onder de Bhârata's en waarvan men het einde van zijn zorgen tegemoet ziet. (37) Dat geluk welk in aanvang als gif is maar op het eind te vergelijken is met nectar, is in de geaardheid goedheid gezegd aan de ziel te zijn ontsprongen bij genade van de intelligentie. (38) Dat geluk dat resulteert uit het contact van de zintuigen met de zins-objecten en dat in het begin gelijk nectar maar op het laatst als vergif is; dat begrip wordt beschouwd in de geaardheid hartstocht te verkeren. (39) Dat wat van het begin tot het einde geluk is dat berust op zelfmisleiding, van de traagheid is, lui is en van misverstaan; dat wordt gezegd van onwetendheid te zijn. (40) Geen wezen heeft zijn bestaan, noch hier op aarde noch in de hogere sferen onder het goddelijke, dat vrij is van de invloed van deze drie geaardheden der materiële natuur.'



 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu