|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 16: DE YOGA VAN HET ONDERSCHEIDEN VAN DE KWALITEITEN VAN DE VERLICHTE EN DE ONVERLICHTE MENS

Over de Kwaliteiten van het Goddelijke en Goddeloze

(1-3) De Allerhoogste Heer zei: 'Onbevreesd, goed van hart, vasthoudend in de kennis van de yoga, mededogend, ingetogen, bereid tot het brengen van offers, studiezin, soberheid en eenvoud; geweldloos, waarheidlievend, vrij van woede, van verzaking, vreedzaam, geen kwaad in de zin hebben, genadig voor allen, vrij van hebzucht, zachtgeaard, bescheiden en vastberaden; grondig tewerk gaan, vergevingsgezind, standvastig, rein, zonder afgunst en niet uit zijn op de eer, zijn de kwaliteiten van iemand die zich heeft ontwikkeld uit het goddelijke. (4) Misleiding, trots, inbeelding en woede en zeker geweld en onwetendheid zijn de kwaliteiten die het gevolg zijn van het onverlichte, o zoon van Prithâ. (5) De goddelijke kenmerken zijn van de bevrijding terwijl de kwaliteiten van de goddelozen het resultaat zijn van gebondenheid. Maak je geen zorgen, zoon van Pându, daar jouw leven het gevolg is van bovenzinnelijke weelde.

(6) Er zijn twee typen geconditioneerde wezens in deze wereld: de goddelijken en inderdaad de onverlichten. Over het goddelijke sprak Ik uitvoerig; luister enkel naar wat Ik zeg over het goddeloze. (7) Zij die van de wanorde zijn weten niet hoe ze moeten beginnen of waar ze op moeten houden, ze zijn onrein, weten zich niet te gedragen en men vindt geen waarheid in hen. (8) Ze zeggen dat het universum er niet voor een zeker doel is, dat het geen heerser kent, dat het niet zijn bestaan vond uit een zekere oorzaak en dat er geen andere oorzaak is dan die van de lust. (9) Minder intelligent, zichzelf verloren hebbend in zelfgenoegzaamheid met dit gezichtspunt, tieren de minder gunstige activiteiten welig en leidt het werk dat men doet tot het onfortuinlijke van het vernietigen van de planeet. (10) Vertrouwend op lusten die niet te bevredigen zijn, met een hypocriete houding, arrogant en hoogmoedig, zoekt men, aan de leiband der illusie, zijn heil in het tijdelijke van materiële dingen en munt men uit in toewijding tot het onzuivere. (11-12) Hun zorgen en angsten kennen geen einde en tot de dood erop volgt vertrouwen ze op zinsbevrediging als het hoogste levensdoel. Aldus verzekeren ze zich op deze manier van hun gebondenheid aan de lust en woede, verstrikt in een netwerk van verwachtingen en van die mentaliteit verlangen ze het, voor het genoegen van hun zinnen, weelde te vergaren op een oneerlijke manier.

(13-15) 'Vandaag heb ik dit gewonnen en dat zal ik nog verkrijgen; dit is wat ìk wil, dat is van mij en morgen zal ik er zelfs nog meer van hebben. Die vijand heb ik vandaag verslagen en die en die zal ik ook vernietigen. Het is ik die voorzeker de Heer is. Ik ben de genieter, de volmaaktheid en ik ben de gelukkige die aan de macht is. Ik ben de welgestelde die van nobel gezelschap is, ik ben het en niemand anders, wie zou er anders zijn dan ik; ik zal offers brengen en aan liefdadigheid doen, ik ben degene die zich gelukkig mag prijzen'; op deze manier verkeren ze in de waan door hun onwetendheid. (16) Aldus in beslag genomen door talloze kopzorgen zijn ze gevangen in een poel van illusies en verslaafd aan zingenot en glijden ze af in een hel van ontregelde zaken. (17) Blasé, schaamteloos over hun weelde en vol van verbeelding houden ze zich temidden van hun misvatting bezig met zogenaamde offers welke ze uit trots brengen zonder acht te slaan op regels en voorschriften. (18) Geïdentificeerd met de materie vervallen ze, in hun hoogmoed, kracht, lust en woede, jaloers in het bespotten van Mij Me bevindend in henzelf en in anderen.

(19) Zij die op Mij jaloers zijn en niet willen deugen, werp Ik altijd in de oceaan der materie als de laagsten der mensheid die voorzeker van een ongunstige geboorte zijn uit de baarmoeders der ontaarden. (20) Leven na leven moeten dezen aldus, het brengend tot geboorten uit de goddelozen, het zeker zonder Mij stellen, o zoon van Kuntî, terwijl ze de ergste bestemmingen tegemoet gaan. (21) In deze zelfvernietiging zijn er drie toegangspoorten naar de hel: lust, woede en hebzucht. Derhalve moet men deze drie opgeven. (22) Bevrijd van deze drie poorten der onwetendheid, o zoon van Kuntî, is een persoon in respect voor de ziel en daarmee gezegend heeft hij de hoogste bestemming voor ogen. (23) Hij die opgeeft wat in de geschriften is geregeld zal naar zijn eigen nukken handelen en nimmer de volmaaktheid, het geluk of het doel van het transcendente bereiken. (24) Daarom is het het gezag van de Schrift dat bepaalt wat wel en niet moet worden gedaan. Bekend met de regelingen uitgeduid door de geschriften, behoor je hier je plicht te doen.'


 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu