|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 14: DE YOGA VAN DE DRIE GEAARDHEDEN DER NATUUR

Over de kwaliteiten inherent aan de materiële natuur

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Nogmaals over het transcendentale, zal Ik van alle kennis je over de hoogste kennis vertellen, waarmee bekend al de wijzen van deze wereld hun doel bereikten. (2) Zijn heil zoekend in deze kennis, Mijn eigenlijke natuur bereikt hebbend, vindt men noch geboorte ten tijde van schepping, noch is men verloren bij vernietiging.

(3) Mijn kanaal van geboorte is het gehele materiële bestaan en van het Allerhoogste daarin bevrucht Ik, de levensomstandigheden scheppend van alle levensvormen die daarnaar hun bestaan vinden, o zoon van Bharata. (4) Van allen die geboren zijn, o zoon van Kuntî, van alle vormen die zich manifesteren, ben Ik de schepper, de oorzaak van hun geboorte en de zaadgevende vader. (5) De geaardheden der goedheid (sattva), hartstocht (rajas) en onwetendheid (tamas) zijn de kwaliteiten voortgebracht door de materiële natuur welke, o machtig gearmde, dit lichaam van het onsterfelijk levend wezen conditioneren. (6) Van hen, is de geaardheid der goedheid de zuiverste, ze geeft verheldering zonder terugslagen en conditioneert met een zin voor het geluk het gevoel voor kennis, o zondenloze. (7) Weet dat de geaardheid hartstocht wordt gekenmerkt door verlangens, geboren uit gehechtheid en hunkering, welke, o zoon van Kuntî, de belichaamde binden aan de gevolgen van de daden in het verleden. (8) De geaardheid der onwetendheid is het gevolg van een gebrek aan kennis; weet dat ze alle levende wezens begoochelt, hen bindend aan onverschilligheid, indolentie en [meer dan zes uren] slaap, o zoon van Bharata.

(9) Door de geaardheid goedheid wordt men geconditioneerd op het geluk, hartstocht bindt aan vruchtdragende activiteiten, o zoon van Bharata, maar door de onwetendheid die de kennis overdekt is men gebonden aan fouten. (10) Dan weer voert goedheid de boventoon, hartstocht en onwetendheid verslaand, dan weer o zoon van Bharata, doet onwetendheid dat met hartstocht en goedheid en dan weer overheerst de hartstocht zowel de goedheid als de onwetendheid; zo zijn de geaardheden van sattva, rajas en tamas nou eenmaal. (11) Als voor al de toegangspoorten van het lichaam zich de verlichting der kennis ontwikkelt, zegt men dat op dat moment de geaardheid goedheid overheerst. (12) Begeerte, overmaat, ondernemen en rusteloos verlangen ontwikkelen zich allen als de geaardheid der hartstocht voorop staat, o belangrijkste der Bhârata's. (13) Duisternis, traagheid, onachtzaamheid en zeker ook illusie manifesteren zich als de geaardheid der onwetendheid wordt ontwikkeld, o zoon van Kuru.

(14) Als met de ontwikkeling van de geaardheid der goedheid de belichaamde zijn einde vindt, dan bereikt men de wereld van hen die zuiver en van grote wijsheid zijn. (15) Als men in hartstocht is als men zijn einde vindt, neemt men geboorte onder hen die werken voor de materiële opbrengst en overeenkomstig als men zich in onwetendheid bevindt neemt men geboorte onder de onwetenden. (16) Van zedige activiteiten in de geaardheid goedheid zegt men dat men wordt gezuiverd, de geaardheid hartstocht resulteert in misère en domheid is het resultaat van de geaardheid onwetendheid. (17) Zoals zich van de geaardheid der goedheid kennis ontwikkelt en hebzucht zich voorzeker ontwikkelt uit de geaardheid der hartstocht, zo ontwikkelen zich illusie en zeker verwarring uit de geaardheid onwetendheid. (18) Zij die in de geaardheid der goedheid zijn stijgen op, zij die van de hartstocht zijn blijven er tussenin steken terwijl diegenen die van de onwetendheid zijn en wiens bezigheid van een abominabele kwaliteit is, afzakken. (19) Als een ziener goed ziet dat degene die handelt niemand anders is dan deze drie kwaliteiten naar de geaardheden der natuur en weet heeft van het voorbije, wordt hij bevorderd tot mijn geestelijke natuur. (20) Alle drie de kwaliteiten overstijgend zal men de nectar genieten van het bevrijd zijn van het fysieke resultaat van de ellende der geboorte, dood en ouderdom.'

(21) Arjuna zei: 'Aan welke kenmerken herkent men degene die de kwaliteiten ontstegen is, o meester, wat is zijn handelwijze en hoe transcendeert hij deze drie geaardheden?'

(22-25) De Allerhoogste Heer zei: 'Hij die, ondanks hun ontwikkeling, geen hekel heeft aan de openbaringen [der goedheid] noch aan de gehechtheden [der hartstocht] noch aan de illusie [der onwetendheid], o zoon van Pându, noch verlangt die ontwikkeling te stoppen; iemand die, wetende dat het de kwaliteiten zijn die handelen, nimmer door hen is aangedaan en de getuige blijft in een continue zelfwaarneming; hij die gelijk blijft in ongeluk en in geluk en innerlijk gelijk is wat betreft een kluit aarde, een steen of goud, die gelijk is over wat gewenst en wat ongewenst is en standvastig en gelijk onder kritiek en lofprijzingen voor zichzelf; hij die gelijk is in eer en oneer en gelijk naar beide zijden van vrienden en vijanden is en van verzaking is in al zijn pogen - van hem wordt gezegd dat hij ontstegen is aan de geaardheden. (26) Een persoon die zonder af te wijken dienst verleent in toewijding tot Mij - hij, al deze geaardheden der natuur transcenderend, zal opstijgen naar het spirituele platform. (27) Voorzeker ben Ik de basis van het spirituele, het onsterfelijke en onvergankelijke, de oorspronkelijke aard en het uiteindelijke geluk.'


 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu