Een Lied van Geluk- Een klassieke Gîtâ -
Geschreven door: Vyâsadeva
Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu
"Het woord is het wapen van de wijze."
AadharJñâna is de spirituele kennis die niet alleen alle Hindoes verbindt, maar ook alle anderen die geloof hechten aan de geest van het Absolute. Om die reden werd, wat betreft dit ware mysterie, in deze klassieke versie van de Bhagavad Gîtâ de kennis van het vinden van bevrijding in de geest âtmatattva genoemd, het principe en de werkelijkheid van het ware zelf, of dat wat staat voor de kennis van de verbondenheid in spirituele aangelegenheden. Het is eenvoudigweg zo dat we zonder deze âtmatattva niet menselijk zijn, omdat we in essentie homo sapiens zijn, ofwel mens bij de genade van de spirituele wijsheid. Hoewel in dit boek enkele woorden staan die te vinden zijn in het woordenboek voor het Sanskriet, zal dit voor die lezers die geïnteresseerd zijn in de klassieke sfeer en cultuur van de Veda's geen hindernis vormen. In de notities worden de essentiële begrippen de een na de ander uitgelegd en in verband gebracht, en is aldus deze vertaling niet alleen getrouw de oorspronkelijke tekst, maar ook nog eens goed te begrijpen voor de leek. De nogal vrije verwoording daarbij is van een moderne stijl en ook hierdoor makkelijk te volgen. Het resultaat is Een Lied van Geluk dat toegankelijk is voor iedere klassiek georiënteerde mens die te kampen heeft met de moderne last aan illusie en de eenzaamheid van het filosofisch impersonalisme. Anand Aadhar Prabhu is de vedische naam van René P.B.A. Meijer, een klinisch psycholoog geboren in 1954, die, na zich te hebben gewend tot de yogafilosofie, na zijn verzelfstandiging in 1982, in 1989 in India zijn naam kreeg.
Inhoud:
Wanhoop over de strijd
Hoofdstuk 2a
De zaken op een rijtje zetten
Hoofdstuk 2b
De zaak in de hand hebben
Te handelen - een meester van de intelligentie
Het bewustzijn verenigen in het brengen van offers en in de âtmatattva
Zich verenigen in arbeid en onthechting
Aanwezig zijn en er eerder geweest zijn
Verenigd in de âtmatattva jezelf kennen en het maken
Verenigd in de geest der eeuwigheid verlossing vinden
Zich verenigen in vertrouwelijke kennis
Hoofdstuk 10
Één zijn in het respecteren van het geluk
Hoofdstuk 11
Het volledige van Zijn werkelijkheid onder ogen zien
Hoofdstuk 12
Zich concentreren op het volmaakte
Hoofdstuk 13
De kenner, het gekende en de kennis van de âtmatattva
Hoofdstuk 14
De drie basiskwaliteiten van de natuur
Hoofdstuk 15
De aard van de verheven persoon
Hoofdstuk 16
Over de verlichte en de onverlichte ziel
Hoofdstuk 17
De drie kwaliteiten met betrekking tot iemands verzaking, offers en voedsel
Hoofdstuk 18a
Verzaking overeenkomstig de kwaliteiten en de oorzaken van het karma
Hoofdstuk 18b
Individuele plicht en de ene weg der bevrijding
Eens, in een grote unie van staten, zo'n vijfduizend jaar geleden, was er een familie genaamd Kaurava die de nazaten waren van een grote dynastie van edelen die over de wereld heersten: de Kuru's. Ze hadden hard gewerkt voor hun bestuur en hun welvaart, en hadden de ganse wereld in hun greep gekregen. De wereld was het speelveld waar zij de regels van het spel bepaalden waarin ze de scepter zwaaiden over allen. Maar er was een juridische strijd ontbrand tussen de arme en de rijke tak van de familie.
De Kauravafamilie van de Kurudynastie was in deze twee tegen elkaar stellingnemende groeperingen in de samenleving uiteengevallen. De bezitloze Kaurava's, bevriend met de Yadufamilie, raakten berooid toen ze, door hun neven in een gokspel bedrogen, hun aanzien, posities en al hun bezittingen hadden verkwanseld. De Yadu's vormden een andere tak van de Maandynastie waartoe de Kurudynastie behoorde, maar ze waren eeuwen daarvoor in ongenade gevallen bij een stamvader van de Maandynastie genaamd Yayâti. Die had zijn zoons gevraagd de last van zijn oude dag op zich te nemen, zodat hij van een eeuwige jeugd kon genieten. De Kaurava's waren de afstammelingen van de zoon die op de eis van de stamvader was ingegaan. De Yadu's waren de nazaten van de oudste zoon en oorspronkelijke troonopvolger die had geweigerd de last op zich te nemen. Tot hun schade en schande, met wat hen bekokstoofd was door de Kaurava's aan de macht, werd het de bezitloze Kaurava's die zonder werk zaten, niet toegestaan enig gezag uit te oefenen, een aanzienlijke positie te bekleden of erfrechten te claimen op welk gebied dan ook. Hen werd eenvoudigweg een gelijkwaardige positie in de samenleving ontzegd. Ze werden steeds afgewezen met wat ze ook maar probeerden, zodat ze als aan lager wal geraakte, tweederangs burgers moesten leven met niet meer rechten dan slaven.
Maar de Yadutak van de familie, welke nog steeds zijn welstand had weten te behouden door eerlijk dienst te doen als soort van een politiemacht die de kwade elementen in de samenleving bestreed, schoot de bezitlozen te hulp die ook wel de Pândava's genoemd werden vanwege hun vader Pându die, voortijdig gestorven, hen had achtergelaten bij hun moeder Prithâ, ook wel Kuntî genaamd, die een dochter was van de Yadufamilie. Een jongere neef van haar, de heer en meester van de Yadutak, droeg de naam Krishna1, vanwege zijn donkere huid. Hij was een goddelijke persoon, een fervent voorstander van de yogafilosofie, die zeer knap was om te zien en zich goed kleedde met veel smaak. Hij was hoogbegaafd en van een goede roep vanwege zijn heldhaftige, deugdzame en zegenrijke handelingen, en was een weldoener die in zijn vroomheid naar voren trad met grote wijsheid, een wijsheid waarmee hij de orde van de achtenswaardige cultuur van de Maandynastie verdedigde.
Krishna, die er een viertal prachtige vrouwen op nahield naast de 16104 die hij zo goed als allemaal had bevrijd uit de handen van schurken, was bevriend met Arjuna2, een van de vijf Pândubroeders die zich hadden verenigd in een grote associatie die alle verdrukten van die tijd bijeenbracht, zodat ze de heerschappij van de Kaurava's tegenspel konden bieden. Aldus kwam het zover dat de Pândava's in het strijdperk traden tegen hun eigen familieleden, de Kaurava's, met wie ze waren opgegroeid onder de vleugels van hun blinde vader Dhritarâshthra, hun oom, die, als de broer van hun vroeg overleden vader Pându, de zorg voor hen op zich had genomen naast die van zijn eigen zoons. Dat waren een honderdtal halfbroers geboren uit verschillende moeders, die onder leiding stonden van de lastige, verwaande en bedrieglijke, oudste zoon die de naam Duryodhana droeg. Maar oom Dhritarâshthra was te zeer gehecht aan zijn eigen zoons om zijn Pânduneven te kunnen verdedigen en bijstaan die hun rijkdom waren kwijtgeraakt nadat ze met hun zwak voor het gokken hun rechten hadden verspeeld op de nalatenschap.
De Pânduneven waren vijf broers met Arjuna als de tweede die excelleerde in het boogschieten en intellectueel goed ontwikkeld was. Bhîma was corpulent, at graag en was beresterk. Yudhishthhira was de oudste en meest dominante die altijd de leiding nam. Tenslotte waren er de tweelingbroers genaamd Sahadeva en Nakula. Aldus vormden ze een uniek gezelschap van vrijwilligerswerkers, want vrijwilligerswerk was het enige soort van werk dat voor hen openstond. Moe van alle beledigingen en verdringing, onrecht en ontkenning van de kant van hun Kauravaneven, besloten ze om een gezelschap op te bouwen van liefhebbers van een alomvattende spirituele jñâna, de âtmatattva kennis zoals uitgedragen door Krishna. Ze waren er vast toe besloten zich weer terug te knokken in de samenleving en een gelijkwaardige status en verantwoordelijkheid terug te winnen. Maar dat zou, vanzelf, resulteren in een ernstige confrontatie en machtsverschuiving in de familie. Gedwarsboomd in dat verlangen door de heersende Kaurava's, hadden ze aldus te lijden onder vele repressieve maatregelen die moesten voorkomen dat het zover zou komen. Dat tegengas bestrijdend planden ze een veldslag die hen de overwinning zou brengen alsmede de steun van het volk, maar met dat doel voor ogen stonden ze voor de taak stelling te nemen tegen de kwaliteit en het karakter van hun eigen neven, ofwel in te druisen tegen de eer van hun eigen tak van de Kurudynastie, die het politieke toneel in de wereld voor vele eeuwen had beheerst.
Voor Arjuna, de meest gezeglijke en vriendelijke van de broers, was dat iets waar hij maar moeilijk mee overweg kon. En zo kwam het ervan dat hij zijn oor te luisteren legde bij Krishna, zijn beste vriend, toen hij, klaar voor de grote veldslag, zich geplaatst zag voor de enorme troepenmacht van de repressieve en afwijzende Kauravaneven. Krishna zong hem toen een lied van wijsheid voor dat hij nooit meer zou vergeten, daar het hem bewustmaakte van Krishna's bovenzinnelijke aard als Bhagavân, de Hoogste Persoonlijkheid van God en nederdaling, of avatâra, van Vishnu, en hem zijn zelfvertrouwen teruggaf dat hem de eindzege bracht in de strijd tegen het onrecht hen aangedaan door de Kauravaneven. Ons verhaal neemt zijn aanvang met de blinde oom Dhritarâshthra die van zijn secretaris Sañjaya verneemt wat zich afspeelde gedurende de campagne van de Pândava's en de Kaurava's.
HOOFDSTUK 1 Wanhoop over de strijd
(1) De blinde oom en het hoofd van de familie Dhritarâshthra zei: "Te Kurukshetra, het pelgrimsoord waar we bidden voor ons welzijn en onze greep op de wereld, verzamelden zich mijn familieleden en mijn neven de Pândava's terwille van de gerechtigheid, wat precies heeft zich daar afgespeeld, mijn beste Sañjaya?"
(2) Sañjaya zei: "Duryodhana, die nobele en gedistingeerde zoon van u, raadpleegde, geplaatst voor de strijdkrachten van het verzamelde leger van uw neven de Pândava's, op dat moment zijn voormalige leraar in de krijgskunst Drona en zei tot hem: (3) 'Beste meester Drona, kijk nu eens wat voor een machtig leger er aan de zijde van de zoons van Pându werd opgesteld door uw zo heel intelligente leerling, de zoon van Drupada (Dhrishthadyumna)! (4) Ze slaagden erin een aantal mensen van aanzien achter zich te krijgen, zoals daar zijn Arjuna's schoonvader Drupada, zowel als enkele andere grote krijgsheren Yuyudhâna en Virâtha, die minstens zo bedreven in de krijgskunst zijn als Bhîma en Arjuna zelf. (5) En we mogen ook beducht zijn voor hun steungroep aan vechters die bestaat uit Dhrishthaketu, Cekitâna, Kâs'îrâja, de o zo machtige Purujit, Kuntibhoja en de uitmuntende kerel S'aibya. (6) Yudhâmanyu, de machtige Uttamaujâ, de zeer machtige zoon van de zus van Krishna, Subhadrâ, en de mannen van Draupadî: allen zijn ze waarlijk grootse strijdwagenvechters. (7) Maar wees gerust, wij van onze kant zijn niet minder rechtstreeks en trouw ondersteund door de kwaliteiten van de strijders aan onze zijde. (8) Ter ondersteuning van uwe goedheid zijn er grootvader Bhîshma alsmede Karna, Kripa en As'vatthâmâ, Vikarna en de zoon van Somadatta, die allen, wis en zeker, altijd zegerijk uit de strijd zijn verschenen. (9) En er zijn nog veel meer helden met krijgservaring die, uitgerust met allerhande wapens, bereid zijn hun levens terwille van mij op het spel te zetten. (10) Onder de vleugels van onze roemruchte grijze eminentie, grootvader Bhîshma, hebben we, onbegrensd als we zijn in onze middelen en invloed, niets te vrezen van de maar geringe macht en invloed van Bhîma en zijn Pândubroeders in de liefdadigheid. (11) Niemand van onze getrouwen zal ooit, vanuit de onbetwiste zeggenschap van onze positie, u in de steek laten, durf ik te beweren.'
(12) Duryodhana was blij toen hij van de kant van grootvader Bhîshma de leeuwenbrul van het geluid van zijn schelphoorn te horen kreeg ter aankondiging van de veldslag. (13) Meteen daarop was er plotseling van alle kanten van de Kauravastellingen het geluid te horen van hun hoornschelpen, trompetten en trommels, hetgeen tezamen aanzwol tot een enorm tumult. (14) In reactie daarop lieten de echtgenoot van de godin van het geluk en de zoon van Pându, op hun beurt hun goddelijke schelphoorns klinken. (15-18) Krishna, de heer der zinnen, blies op de Pâñcajanya, Arjuna op de Devadatta en de oppermachtige Bhîma, de gretige eter, blies op de grote hoorn genaamd de Paundra. Koning Yudhishthhira, de oudste Pândava, blies op de Ananta-vijaya terwijl Nakula en Sahadeva op de Sughosha en Manipushpaka bliezen. Zo was er ook het hoorngeschal van de koning van Kâs'î, de grootse boogschutter S'ikhandî en de grote krijgsheren Dhrishthadyumna, Virâta, Sâtyaki die nog nimmer was verslagen en, o Koning, Drupada samen met al de mannen van Drupadî en de behendige Abhimanyu. (19) De reactie van hun tegenstanders, die evenzo tumultueus door de lucht schalde en de aarde deed schudden als bij hen het geval was, bracht de Kaurava's aan het schrikken en verscheurde hen innerlijk. (20) Toen de zoon van Pându, Arjuna, die voor de strijd klaarstond met zijn boog en pijlen, zag hoe de tegenpartij van de Kaurava's zich opmaakte om hen in de strijd te verslaan, richtte hij, in zijn strijdwagen staand met Krishna aan de teugels, zich tot de meester der zinnen, zijn goddelijke vriend.
(21-22) Arjuna zei: 'Alsjeblieft trefzekere, zoals hij Krishna ook wel noemde, rij de wagen naar het midden van het slagveld zodat ik zicht heb op de troepen, aldaar ter ondersteuning van zowel mij als mijn tegenstanders voor de eindstrijd verzameld. (23) Laat me op dit slagveld mijn Kauravategenstanders tegemoet treden die zo zeker zijn van hun verworven privileges in het behagen van die doortrapte Dhritarâshthra die voor onze oom moet doorgaan.' "
(24) Sañjaya zei: "O nakomeling van Bharata, er aldus toe verzocht reed Krishna Yadu de strijdwagen naar het midden van Kurukshetra, om precies temidden van de daar tegenover elkaar opgestelde legers te stoppen. (25) Met voor ogen Bhîshma, Drona en al de leiders van de wereld die zich aldaar voor de eindstrijd nog meer verzameld hadden, zei de fortuinlijke: 'O zoon van tante Kuntî, kijk hoe al de leden van de Kauravafamilie hier bijeengekomen zijn.' (26) En daar, te Kurukshetra, zag hij daadwerkelijk de partijen opgesteld staan van zijn vaders, grootvaders, ooms, neven, vrienden, weldoeners en dergelijke. (27) Precies daar midden tussen hen in geplaatst voor de massale bijeenkomst van zijn familie, raakte de zoon van tante Prithâ overweldigd door een stortvloed van strijdige gevoelens en stond hij als aan de grond genageld, er niet toe in staat om nog maar één stap te verzetten.
(28) Arjuna zei: 'Van de aanblik van al deze verwanten, Krishna, mijn beste vriend, er klaar voor om elkaar op leven en dood te bestrijden, wordt ik bloednerveus, het jaagt me verschrikkelijke angst aan. (29) Het zweet loopt me koud langs de rug en mijn lichaam weigert dienst, mijn woorden ben ik kwijt en ik voel me branden alsof ik koorts heb. (30) De wereld draait me voor de ogen, ik moet er echt even bij gaan zitten. Ik ben het allemaal kwijt opeens en zie het helemaal niet meer zitten met dit gebeuren, o toonbeeld van schoonheid! (31) Wat voor nut heeft het om al deze tegendraadse familieleden ter dood te brengen! Ik ben helemaal niet uit op een overwinning Krishna, in wat voor een wereld komen we anders terecht? (32-35) O vriend van de vrouwen, wat houdt de heerschappij over de wereld nu in voor ons? Wat voor geluk is er te vinden in het begeren van een bestuur naar eigen snit om de scepter te zwaaien over vrienden en verwanten, over hen die zich nu tegenover elkaar hebben opgesteld om elkaar te overtreffen tot de dood erop volgt? God nog aan toe, het zijn onze vaders, leraren, zoons, ooms en grootvaders! Ik wens het niet om wie van hen ook te doden noch dat ze ook maar iemand van ons doden, o wanhoop van de duivel! Voor geen goud van de wereld wens ik me zoiets, nog niet in mijn stoutste dromen! Ik ben niet geïnteresseerd in een veldslag om de zoons van oom Dhritarâshthra te verslaan, o behoeder van de wereld! (36) Zoiets als het ten strijde trekken tegen je eigen soort, staat toch gelijk aan waanzin! Hoe kan je er nu gelukkig van worden anderen om het leven te brengen, o liefste van allemaal? Is dat geen pure zelfmoord? Bezorgt je dat geen slecht karma?
(37-38) En zelfs al zijn ze zo blind als oom Dhritarâshthra in het in hun begeerte ontkennen en weerstreven, in het vechten en ruziën met vrienden ongeacht de gevolgen ervan; waarom zouden wij, die dit alles helder voor ogen hebben, ons niet van een dergelijk grotesk zelfverraad afwenden, o veroveraar van de weelde? (39) Met het op deze manier schenden van de familie-eer, zullen al haar gebruiken en moeizaam verworven respect verdwijnen en zal de ganse familie haar plichtsbesef verliezen, zo zal een ieder beamen. (40) Met een dergelijke onverantwoordelijke houding, beste Krishna, zullen de vrouwen van de familie hun respect voor ons verliezen en zal, aldus uit de gratie geraakt, geen mens meer weten wie hij is. (41) Ook zal aldus de kans op een goed leven van ons nageslacht bedorven zijn, omdat zij, als wij in wederzijdse minachting zijn vervallen, er ook niet langer meer in zullen slagen om te weten hoe ze achting moeten hebben voor of vertrouwen moeten stellen in welke vorm van wederkerige, gezonde en beschaafde humaniteit ook. (42) Door deze fouten gemaakt door allen die de familie naar de ondergang leidden en waardoor er verwarring bestaat in de samenleving, zal aldus de rechtschapenheid van de maatschappelijke klassen en leeftijdsgroepen verloren gaan en zal ook iedere goede gewoonte die de gemeenschap erop nahield met de ether verloren zijn. (43) Zoals men het altijd zegt: zij die de tradities bedierven, o aansporing van de mens, blijken altijd in de hel te belanden. (44) Begerig het opperste gezag uit te oefenen en de privileges te genieten, hebben we er merkwaardig genoeg toe besloten om tegen beter weten in te handelen. (45) Ik kan maar beter nu meteen mijn verzet opgeven en hen de overwinning in de strijd gunnen.' "
(46) Sañjaya zei: "En zo, aldaar, precies tussen de klaarstaande legers, ging Arjuna bij de pakken neerzitten in zijn strijdwagen en zette hij, met een geest vol van vertwijfeling en droefenis, het gevecht uit zijn hoofd."
De zaken op een rijtje zetten
(1) Sañjaya zei: "Toen hij zijn vriend zo bezwaard zag en tot vertwijfeling gedreven, sprak de wanhoop van de duivel de volgende woorden:
(2) De grote ziel zei: 'Het is nu echt niet het goede moment om het op te geven Arjuna. Dit past je in het geheel niet. Zo gaan verliezers tewerk die nimmer een betere wereld in het leven roepen, het is echt een schande! Arjuna, verman jezelf! (3) Geef niet toe aan een dergelijke sentimentele zwakheid, het leidt tot niets dan waanzin, sta je mannetje en ga over tot de strijd, overwin je angst voor de dood!'
(4) Arjuna bracht ertegenin: 'Hoe kan ik nu in de aanval gaan tegen Bhîshma en meester Drona, het zijn achtenswaardige heren van groot aanzien! Wat ben ik dan wel niet, o wanhoop van de duivel? (5) Zou ik er niet beter aan doen voor de rest van mijn leven van de liefdadigheid te leven dan die hoogstaande en achtenswaardige heren naar beneden te halen, ook al begeren ze, als leiders en leraren, het koninkrijk der hemelen op aarde? Ik maak mijn handen niet vuil aan dit soort zaken, dat is mijn eer veel te na! (6) En wat dan nog - als zij ons verslaan is dat net zoveel waard als dat wij als overwinnaars uit de bus zouden komen. Ik zou niet kunnen leven met de overwinning van wie van ons beiden ook, geen denken aan, in welke positie in relatie tot oom Dhritarâshthra we er ook mee zouden belanden. (7) Met mijn angst en vrees, vraag ik je, innerlijk verward over wat me te doen staat, wat ik nu moet beginnen. Wat zou nu het ideale compromis zijn voor ons allen? Vertrouw me dat toe, instrueer me hierover en aanvaard me als je leerling zogezegd. (8) Het staat me niet meer helder voor ogen wat ik moet aanvangen, hoe het nu vanaf dit punt verder moet; hoe kan ik nu niet wanhopig en onthand zijn, met het mezelf toewensen van een onbetwiste positie op aarde of zelfs het mezelf aanmeten van een stel engelenvleugels?' "
(9) Sañjaya de secretaris zei: "Nadat hij zich aldus tot de meester der zinnen had gericht, zei hij die zichzelf had bewezen als iemand die de slaap de baas was en altijd de schrik van zijn tegenstanders was geweest, 'Ik geef het op, ik begin er niet aan', waarop hij toen stil viel. (10) O nakomeling van Bharata, toen, precies daar tussen de legers van de familie in oppositie verzameld voor de veldslag, sprak de zinsbeheerser met een glimlach de volgende woorden.
(11) De meester van het geluk zei: 'Laat je niet op de kop zitten door iets wat een dergelijke emotionele betrokkenheid niet waard is; met al je geleerde woorden behoor je, of je het nu wint of niet in de komende veldslag, als een wijs man, niet op enigerwijze zo bewogen te zijn. (12) Luister, gisteren bestond ik, en zo ook zal ik er morgen nog zijn, en zo ook is het met jou zo en met al deze belangrijke mensen hier. (13) Tijdens je leven verander je van een kind in een jongere en van een jongere in een volgroeide man; maar, wees nu eerlijk, maakte dat nou iemand anders van je? (14) Wat de zintuigen je te melden hebben, o zoon van tante Kuntî, in de zin van pijn en geluk, komt en gaat als de zomer en de winter. Dergelijke zaken beklijven niet, draag het als een kerel, o man van de Kuru's. (15) Hij die in dezen niet van streek is, o beste van allen, hij die gelijkmoedig en stabiel is in lief en leed, is de man geschikt voor de taak.
(16) Verwacht dus niets blijvends als het om uiterlijke verschijningsvormen gaat, en denk ook niet dat de persoon die je vanbinnen blijft ooit ten einde zal komen; en dit is wat de grootste geleerden bevestigen in hun studies aangaande dit onderwerp. (17) Onthou slechts dat wat er als een stabiele factor is in alle staten van je fysieke bestaan, dat dat zelf niet kan vergaan of door enig iemand kan worden verslagen. (18) Al deze materiële lichamen zijn vergankelijk, terwijl de onvergankelijke en onmetelijke die wordt belichaamd eeuwig bestaat; en daarom, o zoon in de lijn van Bharata, werp je in de strijd. (19) Een ieder die stelt dat dat zelf van jou welk essentieel zelf van iemand anders ook zou kunnen doden of zelf gedood zou kunnen worden, is met ieder van deze standpunten niet goed bij zijn verstand; je kan niemand echt doden, noch kan jij werkelijk ter dood worden gebracht. (20) Derhalve, om het maar eens duidelijk te stellen: feitelijk begon je nooit met leven noch zal je er ooit mee ophouden te leven; je werd nimmer geboren, noch zal je ooit echt sterven. Evenzo reïncarneer je ook niet in dat opzicht; de ziel zoals die is, wordt nooit geboren, is eeuwig en constant. Hij is er vanaf de eerste dag van de schepping en hij houdt nooit op te bestaan als het lichaam zijn einde vindt. (21) Als je er eenmaal achter bent dat die ziel waar we het over hebben niet te vernietigen is en eeuwig voortbestaat, zonder enige verandering of geboorte, hoe kan jij dan, o zoon van Prithâ, er de oorzaak van zijn dat er iemand wordt gedood of kan je zelf worden gedood? (22) Als je het lichaam en het ego dat erbij hoort met je meedraagt als een kledingstuk, kan je dat omhulsel net zo makkelijk wisselen en kan je aldus een leven beëindigen en weer met een nieuw leven beginnen zoals je dat uitkomt. (23) Dat wat je in werkelijkheid bent kan niet uiteenvallen, verschroeien, verdrinken of wegkwijnen. (24) Je bent onbreekbaar, je brandt niet af of lost niet op; je bent onvergankelijk, je reikt tot waar je maar wilt, je zult altijd hetzelfde zelf blijven, niemand kan je als zodanig iets aandoen en je bent altijd zo geweest, en dat is dat.
(25) Met voor ogen dit ware zelf van jou dat niet echt kan worden waargenomen, waarvan men zich zelfs niet een voorstelling kan maken, en dat niet werkelijk aan verandering onderhevig is, behoor je te weten dat het als zodanig voor jou niets is om bezorgd of wanhopig over te zijn. (26) En zelfs al zou je reïncarneren en weer sterven, o machtige man, zit er nooit over in. (27) Hij die komt te sterven zal zeker weer geboorte nemen, precies zoals degene die geboren wordt weer zal sterven natuurlijk; dergelijke onherroepelijke feiten zijn het niet waard om je zorgen over te maken, dat is waar je van doordrongen moet zijn. (28) Jan en alleman, o zoon van de Kurudynastie, is om te beginnen een niemand, dan staat hij of zij bekend en dan wordt hij of zij weer vergeten, dus waar maak je je druk over als het allemaal is zoals dit? (29) Deze ziel wordt door sommigen als iets verbazingwekkends gezien, sommigen spreken erover als iets verbazingwekkends, en sommigen kennen hem als zijnde verbazingwekkend, terwijl nog weer anderen er nooit een idee van krijgen wat dit ware zelf allemaal inhoudt. (30) Deze ziel, deze eigenaar van een ieder zijn lichaam, vergaat nimmer, o zoon van de dynastie, en daarom zou je niet zo moeten inzitten over wie dan ook.
(31) En, wat betreft het doen van je plicht in de veldslag, moet ik je zeggen dat je altijd voor je zaak moet instaan terwille van God, je eigenlijke kwaliteit, deugd en rechtschapenheid, op de eerste plaats, dat is het allerbeste wat een bestuurder kan doen. (32) O zoon van tante Prithâ, prijs jezelf als bestuurder gelukkig als je in de strijd tegenstanders tegenover je hebt, aangezien dat je de kans biedt om te excelleren en te laten zien wie je bent. (33) Verdedig daarom je belang als betrof het God zelf, want als je erin mislukt je eigenlijke aard met Hem van dienst te zijn, zal je niets meer zijn dan een profiteur zonder enig zelfrespect. (34) Als je je niet doet gelden zal je je goede naam verspelen, en dat is voor een achtenswaardig man iets dat nog veel erger is dan de dood. (35) Je kameraden op het slagveld die allen het grootste respect voor je hebben, zullen je als een verliezer afschrijven als je het nu uit angst laat afweten. (36) Ze zullen achter je rug over je kletsen en je kunnen in twijfel trekken, en je weet wel hoe pijnlijk dat is. (37) Bekijk het op deze manier; of je bent een eervolle verliezer, of je doet je goede naam eer aan door de slag te winnen en dus, ga ervoor en wees zeker van jezelf met deze keuze, o zoon van Kuntî! (38) Of je uiteindelijk nu gelukkig of ongelukkig zult zijn, erop vooruitgaat of er bij inschiet, of je nu zegeviert of het verliest, je zit nooit fout als je gelijkmoedig in het strijdperk treedt met dit in gedachten!'
De zaak in de hand hebben
(39) 'Tot zover over het intelligent zijn in het analyseren van zaken, luister nu hoe je in samenhang met deze intelligentie, o zoon van Prithâ, bevrijd kunt raken van het gebonden zijn aan je karma. (40) In deze geest zal je dan niet corrumperen, noch verloren gaan, en als je hem maar een beetje van dienst bent bezweer je er al het grootste gevaar mee. (41) Nadenkend met de ziel is men immers verenigd in zijn intelligentie, o kind van de Kuru's, maar als je daarentegen niet zo gewetensvol bent heb je een geest die voortdurend is afgeleid. (42) Religieuze mensen zeggen ook dit soort dingen o zoon van Prithâ, maar ze hebben het niet helemaal door als ze er van uitgaan dat er verder niets bij zou komen kijken. (43) Met hun fraaie erediensten hopen ze naar de hemel te gaan en een beter leven te hebben, maar hun harten zijn vol van het verlangen om hun zinnen te behagen en rijk te zijn. (44) Op die manier al te gehecht aan materiële genoegens en luxe zaken, zijn hun geesten wazig van een armzalige logica en krijgen ze de zaak nooit echt in de hand. (45) De vedische literatuur, die handelt over de materiële kwestie en de manier waarop we onder de invloed verkeren van de drievoudige aard in de zin van 1 - het hebben van hartstochten, 2 - het niet helder van geest zijn en 3 - het zich verlustigen in het goede, zeggen ons deze natuurlijke geaardheden te overstijgen, omdat daarbuiten, buiten de tegenstellingen die ze vormen, verzonken zijnd in dat wat werkelijk goed en zuiver is, de ziel wordt aangetroffen die onbezorgd is over bezitten en bezit verwerven. (46) In een slok water treft men hetzelfde aan als in een heel meer, evenzo treft men in de ziel van een enkel mens van spirituele deugd het geheel van de klassieke wijsheid aan.
(47) Je hebt het volste recht de zaak te dienen, maar eis voor jezelf nooit de resultaten op van die dienstbaarheid. Beschouw jezelf niet als de oorzaak; ontwikkel daarom nooit enige gehechtheid in heilige aangelegenheden als deze. (48) Hou contact, blijf verbonden in het opgeven van een dergelijke ijdelheid en hunkering o winnaar van de weelde en wees gelijkmoedig in geval van slagen en falen, daar die lijdzaamheid het geheim is van het verenigd blijven in het bewustzijn. (49) Geef, aldus verenigd in volle overgave aan de intelligentie, niet toe aan de domheid; weet dat het de ellendelingen zijn die het willen winnen en willen vergaren. (50) Gelijkgeschakeld met deze intelligentie kan je, nog in dit leven, ontkomen aan die gevolgen waarvan je onterecht dacht dat ze gunstig waren, zowel als aan hen waar je onder te lijden had; ga dus, terwille van deze wetenschap, onverschrokken tewerk in je verbondenheid met de ziel die steeds voortbestaat en gelukkig is in de wijsheid; dat is de kunst met alles wat je doet! (51) Het opgegaan zijn in het dienen van dit doel, het op één lijn verkeren met de intelligentie van het niet begeren van enig voordeel, is wat zowel de wijzen als de aanbidders bevrijdde van de ellende van herhaalde mislukking en de noodzaak telkens weer opnieuw te beginnen. (52) Als je eenmaal, vrij van ieder verlangen, het respecteert zoals het is met de ziel, zal je, op dat moment, je niet langer zorgen maken over alles wat je nu net hoorde, noch over dat wat je nog zult vernemen. (53) Met een geest helder wat betreft het voordeel van je handelingen op de manier zoals ik je dat uiteengezet heb, zal je, onbewogen boven de zaken uitstijgend met een intelligentie die zijn anker heeft gevonden, in staat zijn het gelukkige leven te vinden dat je jezelf en anderen toewenste.'
(54) Arjuna zei: 'Wat kenmerkt nu degene die erboven staat, die innerlijk verankerd is in een bewustzijn van verbondenheid? En wat zegt zo iemand allemaal, hoe houdt hij afstand en hoe gaat hij tewerk?'
(55) Krishna, als de meester, zei: 'Op het moment dat men de verlangens laat varen met inbegrip van de zorgen die erbij horen o zoon van Prithâ, zal men, naar het goede van die bedachtzaamheid, stabiliteit in het bewustzijn vinden, zo bevestigen ook andere autoriteiten. (56) Zij die zonder zich zorgen te maken de ellende tegemoet treden en zonder verlangens te koesteren het geluk onder ogen zien en, zonder enige gehechtheid, vrij zijn van angst en woede, beschouwt men als wijzen die stabiel zijn in hun meditatie. (57) Hij die, of de zaken nu ten goede of ten slechte keren in dezen, onaangedaan blijft in welke situatie ook en noch haat koestert, noch de loftrompet steekt, is erin verankerd het perfect te weten. (58) Zoals een schildpad die zijn poten en kop intrekt trekt hij, die zich in het bewustzijn verankert, zijn zinnen terug van de zinsobjecten. (59) Een ieder die niet van deze nadenkendheid is, kan evenzogoed afzien van, maar zo iemand houdt dan de materiële bijsmaak, de smaak waaraan alleen maar een einde komt met de sterkere ervaring van de hogere smaak die men heeft als men erboven staat. (60) Hoe slim men ook is, o zoon van Kuntî, zo gauw men iets doet leiden de zinnen de aandacht af en is de geest in beroering gebracht. (61) Het in bedwang houden van de drukke zinnen is iets dat wordt bereikt door zich positief te verhouden tot de positie van het mediteren die men heeft in het voorbije, en met het ze aldus onder controle gebracht hebben is men dan gevestigd in de wijsheid. (62) Op de verkeerde manier werkt het als volgt: eerst raak je gehecht aan wat de zintuigen waarnemen, van daaruit ontwikkelt zich de lust het te genieten wanneer je maar wilt en wat volgt is de woede op de onvermijdelijke frustratie van het zich realiseren dat dat niet mogelijk is. (63) Vanuit die woede van de persoonlijke voorkeur ziet men de zaken niet langer in de juiste verhouding en is men aldus, met het daarmee begoocheld zijn, niet nadenkend met wat in gedachten moet worden gehouden. Als gevolg daarvan faalt de intelligentie en verliest men, omdat men de zaken niet langer begrijpt, zijn zelfbeheersing: men komt ten val. (64) Maar, als men niet van enige afkeer of gehechtheid is, is men, met het onder controle hebben van de drukke zinnen, aldus gereguleerd zijnd, van een heldere geest. (65) In die vrede verkerend komt aan alle ellende een einde, en raakt, met zo een tevreden, open geest, spoedig de intuïtie afdoende gevestigd. (66) Als men zich niet op deze manier gelijkricht krijgt de intelligentie geen kans en is er, de verbondenheid in de ziel missend, geen stabiliteit in de achting die men heeft; hoe kan men, als men in zijn ongenoegen de vrede niet kan vinden, nu gelukkig zijn? (67) Een geest die de zinnen najaagt is van een intelligentie zo stuurloos als een boot die wegdrijft op de wind. (68) En zo is dan, zoals je zult begrijpen, de intelligentie stabiel als de zinnen zijn teruggetrokken van hun voorwerpen. (69) Waar de gewone man acht op slaat is als nacht voor een wijs man en op dat wat de gewone man de duisternis van de nacht lijkt slaan de wijzen juist acht. (70) In tegenstelling tot een man van verlangens, is een man van vrede net zo stabiel met datgene wat zijn zintuigen bereikt als de oceaan die nimmer gevuld raakt met al het water van de rivieren die erin uitmonden. (71) Een persoon bereikt de vrede als hij - vrij van verlangen - zijn begeerten heeft verzaakt, als hij niet streeft naar bezittingen en, in plaats van zich te identificeren met zijn lichaam, zich identificeert met de ziel. (72) Wees er om die reden niet beducht voor, dat deze positie in het voorbije je zal verbijsteren o zoon van Prithâ, je bereikt er juist de hemel mee, zelfs als je deze nadenkendheid hebt uitgesteld tot je stervensuur.'
Te handelen - een meester
van de intelligentie
(1) Arjuna zei: 'Je zegt dat het beter is af te gaan op de intelligentie dan om het resultaat van een overwinning te verlangen, o aansporing van de mens. Als dat zo is, waarom moedig je me dan aan deze verschrikkelijke confrontatie aan te gaan, o toonbeeld van schoonheid? (2) Sticht je geen verwarring in dezen als je je dermate dubbelzinnig uitlaat? Zeg me voor welke benadering ik zou moeten kiezen, zodat ik werkelijk mijn voordeel kan doen met wat je zegt!'
(3) Krishna zei: 'Inderdaad, in deze wereld kan je tussen twee benaderingen kiezen, zoals ik je voorheen al zei o man zonder overtredingen. Enerzijds, kan je je spiritueel verbinden in de analytische geest, en anderzijds kan je je verbinden in de toewijding van een of andere vorm van handelen. (4) Een mens zal de perfectie niet bereiken als hij, als een toegewijd persoon, simpelweg onder zijn overige materiële verplichtingen probeert uit te komen, noch zal hij vrij zijn van handelingen en terugslagen als hij, zich afkerend van de wereld, zich verbindt terwille van enkel het inzicht. (5) Er is niemand die maar voor een moment kan bestaan zonder iets te doen. Of men het nu leuk vindt of niet, men is, naar gelang de hartstocht, de traagheid van geest of de goedheid waar men zich in bevindt, altijd, vanwege zijn karma, genoodzaakt te handelen. (6) Vaststaat dat je maar doet alsof als je, met het inperken van de zinnen, er een geest op nahoudt die gericht is op het zintuiglijke. (7) Maar Arjuna, als je, met het aandachtig reguleren van het zintuiglijke, een begin maakt met het, in onthechting van de resultaten van je arbeid, tot toewijding bewegen van de voor arbeid gemotiveerde zinnen, ben je veel beter bezig. (8) Samengevat: ook al is het enkel maar terwille van je lichaam, er is altijd werk te doen; hou je daarom bezig met het doen van je plicht, aangezien het beter is tot handelen over te gaan dan niets te doen. (9) Maar denk eraan het te doen als een offer, anders dans je naar de pijpen van de wereld; en aldus zal je, als je zo tewerk gaat o zoon van Kuntî, al je gehechtheid te boven komen.
(10) Toen hij met het universum een begin maakte met de generaties en de offers die ze moeten brengen, zei de Schepper, Heer Brahmâ, tot de mensheid: 'Moge het u meer en meer goed gaan, moge dit offer u alles brengen wat u maar verlangt'. (11) Als je de mensen van God behaagt met je offers, zullen zij op hun beurt jou een genoegen doen, en aldus het elkaar naar de zin makend zal de hoogste genade je deel zijn. (12) Als je met offers de vertegenwoordigers van God een genoegen doet, zal je dat alles brengen wat je maar nodig hebt, maar hij die van het leven geniet zonder offers te brengen, is zonder meer een dief. (13) Zij die toegewijd zijn eten van de offers die ze brengen, maar die onzuivere profiteurs die enkel maar eten om hun zinnen te bevredigen, belanden in allerlei moeilijkheden. (14) Onze lichamen gedijen op granen, graan is er vanwege de regen, en regen treft men aan in gebieden waar men gewetensvol offers brengt om de gewassen voort te brengen. (15) Die plicht wordt gerealiseerd in de cultuur van de kennis, en de kennis vindt zijn regulatie en orde met religieuze ontzeggingen; en aldus, om die reden, zal je in het offeren altijd de geest vinden die alles en iedereen verbindt.
(16) Daarom is het zo dat hij die er in zijn leven niet in slaagt de cyclische orde van het offeren, zoals men die in de natuur aantreft, in zijn leven in te bouwen, met het dienen van zijn zintuigen, een leven vol van problemen heeft dat tamelijk zinloos is. (17) Anderzijds is degene die behagen schept in het ware en natuurlijke zelf, iemand die verlichting zal vinden in zelfrealisatie; en zo iemand, die de volmaakte tevredenheid enkel in zichzelf zoekt, kent geen verdere verplichtingen. (18) Wat hij uit plichtsbesef doet of laat in de wereld, zal hij nooit doen in horigheid aan de wereld, noch zal hij het nut ervan inzien in dezen achter de rug van andere levende wezens weg te kruipen. (19) En aldus rijst een mens boven de materie uit als hij onthecht, maar constant, gemotiveerd is om zijn werk te doen vanuit het oogpunt van de plicht.
(20) In onze familie zijn er grote voorbeelden van bestuurders die zich volmaakt wisten te redden met het zich strikt aan hun plicht houden, en zo ook behoor jij het als de juiste handelwijze te zien om voor anderen het goede voorbeeld te geven. (21) Wat een achtenswaardig mens doet, zal door andere mensen net zo worden gedaan; dat wat hij doet zal door de hele wereld worden aanvaard als een voorbeeld dat navolging verdient. (22) Ikzelf, zonder verplichtingen met betrekking tot het hemelse, het aardse of de onderwereld, ben evenzogoed bezig, ook al levert het mij verder niets op. (23) Zie je, de ganse wereld zou op een chaos uitdraaien als mensen zoals ik het zouden nalaten hun werk te doen o zoon van Prithâ, het zou tot grote verwarring leiden en dan zou er van alle mensen op deze planeet niets terecht komen. (24) Vanzelf zou de weg die ik zou volgen met het mislukken aandachtig tewerk te gaan, door een ieder in ieder opzicht worden bewandeld. (25) Aangezien de onwetende zijn werk doet in gehechtheid, o nakomeling van Bharata, moet de ontwikkelde mens dat zonder doen met de wens voor de gewone man het voorbeeld te geven. (26) Tegelijkertijd moet hij ook de gewone, onwetende mens die gehecht is aan zijn karma, niet van streek brengen; een geschoold mens moet, met het doen van zijn plicht, allen bij zijn werk proberen te betrekken.
(27) De individuele ziel verbijsterd door het valse ego - zijn identificatie met het lichaam -, houdt zich, onder de invloed van de drievoudige aard van de materiële natuur, bezig met allerlei soorten van handelingen, en aldus beschouwt hij zichzelf als de doener. (28) Maar als een kenner van de allerhoogste waarheid o man van zelfbeheersing, als iemand bedacht op het verschil tussen de twee soorten van zich bezighouden met het werk van de zintuigen en met het werk voor de zintuigen, is hij nimmer zo gefixeerd. (29) Zij die, verbijsterd door de geaardheden der natuur, er op uit zijn die kwaliteiten te dienen, hebben, nalatig als ze zijn in de zelfverwerkelijking, er geen idee van; ze moeten niet van streek worden gebracht door degenen die het wel weten. (30) In plaats daarvan, is het beter het met het verzaken van de wereld allemaal met mij in gedachten te doen, in de volle kennis van de ziel die gevoed wordt door een bewustzijn dat vrij is van verlangens en hebzucht; en waag je dan, met het aldus vrij zijn van de materiële koorts, in de strijd. (31) Allen die indachtig deze instructies, steeds van een praktijk zijn zo regelmatig als die van de natuur, zijn mensen van geloof en samen delen die zonder afgunst de vrijheid vinden, zelfs het vrij zijn van de band van de baatzuchtige arbeid. (32) Zij echter die begerig naar wat anderen hebben, vol van afgunst, niet van een dergelijke, naar mijn instructie geregelde, praktijk zijn, zijn in de war met iedere vorm van logica die men maar kan aanhangen; ken hen als zijnde verloren zonder het natuurlijke bewustzijn. (33) Ook al gaat een mens die in kennis verkeert op eigen houtje tewerk, is hij desalniettemin onderworpen aan de natuurlijke geaardheden; wat voor zin heeft het dan om er zich van af te keren? (34) De zintuigen, gefixeerd in hun gerichtheid op hun voorwerpen, zijn van voorkeur en afkeer; en dit zijn emoties waardoor men zich nooit moet laten beheersen omdat ze zonder twijfel iemands struikelblokken vormen. (35) In geval van dit soort zaken verdient het verre de voorkeur de eigen weg te volgen en zich erbij te vergissen dan om perfect te zijn in het op een vervreemde manier tewerk gaan; het is zonder twijfel beter om problemen te hebben in het volgen van de eigen aard dan om gevaar te lopen met het volgen van een vreemde manier.'
(36) Arjuna zei: 'Wat is het dan dat een mens ertoe drijft om het kwade te doen, ook al wil hij het niet, o stierenkracht, alsof hij ertoe gedwongen wordt?'
(37) De fortuinlijke zei: 'De lust en de woede die je hebt van je hartstocht is het eeuwige kwaad dat de wereld naar de ondergang leidt; ken die emotionaliteit als je grootste vijand hier vandaag. (38) Men is er door overdekt zoals een vuur door rook overdekt is, een spiegel door stof en een embryo door een baarmoeder. (39) Net als vuur is het kennen van de kenner, die overdekt wordt door deze eeuwige vijand in de vorm van ongeregelde verlangens, nimmer bevredigd, o zoon van Kuntî. (40) Deze lust beheerst de zinnen, de geest en de intelligentie, en zo is dan de ware kennis verhuld en is de belichaamde verbijsterd. (41) Perk daarom, om te beginnen, de zinnen in met behulp van een juiste regulatie, o beste van de Kurudynastie, en wendt aldus deze aandrift van het kwaad af welke de vernietiger is van alle kennis en wijsheid. (42) Men zegt dat de zinnen hoger geplaatst zijn dan hun voorwerpen, dat de geest boven hen staat, en dat de intelligentie de geest weer beheerst, maar jij, jij bent de meester van de intelligentie. (43) Superieur aan de intelligentie, het allemaal wetend door het vooropgezet stabiliteit verlenen aan de geest, o man van zelfbeheersing, heers over en overwin aldus die o zo moeilijk te verslane vijand gevonden in de vorm van de lust.'
Het bewustzijn verenigen in het brengen van offers en in de âtmatattva
(1) De fortuinlijke zei: 'Deze antieke wetenschap van het zich innerlijk verenigen is wat ik oorspronkelijk de goddelijkheid van de zon instrueerde, een instructie die de eigenlijke leiding van de schepping, genaamd de Schepper, tot inspiratie heeft gediend, die op zijn beurt de eersten onder de leiders van de orde van de zon inspireerde. (2) De deugdzame leiders in het verleden, die het allen in opeenvolging begrepen, leerden het zich te redden, maar op de lange duur raakte deze grootse manier om zichzelf te verbinden verdeeld in zo vele takken van kennis, o overwinner van een ieder. (3) Deze zeer oude wetenschap van het verenigen van het bewustzijn die ook wel de yoga wordt genoemd, leg ik nu vandaag aan jou uit omdat je de zaak toegewijd bent en mijn vriend, en zo kan je dan kennis nemen van het mysterie van de doorslaggevende toppositie, de positie in het voorbije, de transcendentie.'
(4) Arjuna zei 'Als ik je goed begrijp was jouw instructie er voordat jij er was, je werd geboren na die oude heerschappij en instructie, hoe verklaar je dat?'
(5) De fortuinlijke zei: 'Er bestonden in het verleden vele geboorten van mijn karakter, net zoals van jou, mijn beste Arjuna; ik ken ze allemaal en identificeer mezelf ermee, maar jij doet dat kennelijk niet, o winnaar van de veldslag! (6) Ik mag dan bovenzinnelijk zijn, ongeboren van aard, een onvergankelijke ziel die de Heer over allen is, maar niettemin verschijn ik, vanuit mijn toppositie, in den vleze als een verhulling van mezelf. (7) Waar en wanneer er ook maar een afname is van de rechtschapenheid en het onrecht overweegt, o nakomeling van Bharata, manifesteer ik mezelf op dat moment. (8) Opdat zij die dorsten naar de waarheid een leven mogen hebben en de onverlaten een halt wordt toegeroepen, verschijn ik generatie na generatie ten tonele met de bedoeling de weg van de menselijke principes van de waarheid, de zuiverheid, de boete en het geweldloze mededogen opnieuw te vestigen.3 (9) Een ieder die weet heeft van dit geboorte nemen van mij en waar ik voor sta, zal, zich afkerend van het lichaam als zijnde het ware zelf, niet opnieuw verstrikt raken maar zich verheugen in mijn liefde, beste Arjuna.
(10) Zich volledig bewust van wat ik ben, hebben velen die, bevrijd van gehechtheid en woede, zuivering vonden in de kennis der boete, mijn liefdevolle natuur bereikt. (11) Allen die van overgave aan mij zijn, beloon ik met het fundament, de grondslag waarop een ieder zijn leven op iedere denkbare manier baseert, o zoon van Prithâ. (12) Verlangend naar het volmaakte profijt is men in deze wereld van opoffering voor de verschillende typen van goddelijkheid, en dat is een karmisch verlangen dat in de wereld snel zijn vruchten afwerpt. (13) De vier klassen of maatschappelijke taakverdelingen, tezamen met de vier leeftijdsgroepen waar ik me op instel in relatie tot de drie materiële kwaliteiten, vormen de manier waarop het er met mij in de wereld aan toegaat; maar zie mij, de onvergankelijke ziel, niet voor degene aan die verantwoordelijk is voor deze gang van zaken. (14) Op mij als zijnde de ziel heeft al dit karma geen invloed, noch maak ik deel uit van de ambities ervan, en zo zal er, wat mij betreft, ook geen bewuste persoon zijn die ooit verstrikt zal raken vanwege zijn karma. (15) Tredend in de voetsporen van je voorouders moet je, met het door jou, op dezelfde manier als zij dat deden, vasthouden aan je plicht, de bevrijding vinden.
(16) Velen vragen zich af wat dit karma en het tegendeel ervan nou allemaal inhoudt. Laat me het je uitleggen, zodat je bevrijd zult raken van alle ongeluk. (17) Het goed afwegend moet ik zeggen dat er werk is, misdaad en vrijwilligerswerk, en dat het lastig is te doorgronden hoe het allemaal samenhangt. (18) Als je het werken voor een resultaat beziet als werkeloosheid en het vrijwilligerswerk als het ten dienste staan, mag je jezelf intelligent noemen in menselijke aangelegenheden; het is dan dat je, met al de soorten van handelingen waar je je mee bezighoudt, verbonden bent. (19) De geschoolden die hier weet van hebben verklaren dat hij die vrij is van iedere opzet om op een niet-gereguleerde, lustgemotiveerde manier tewerk te gaan, iemand is wiens baatzuchtige arbeid, zijn karma, is opgebrand in het vuur van de geestelijke kennis. (20) Met het opgegeven hebben van de gehechtheid aan de vruchten van de arbeid, zowel als aan het comfort en de beheersing van een vaste verblijfplaats - het eigen privédomein - is er een duurzame voldoening; ook al gaat iemand die zo bezig is volledig op in allerlei activiteiten, toch doet hij dan niet werkelijk iets. (21) Vrij van nevenmotieven met zijn geest en intelligentie onder controle, doet hij zijn werk waarbij er zich dan geen schuld ontwikkelt; want al wat hij feitelijk doet is het handhaven van het lichaam in het nalaten van al het vergaren. (22) Tevreden met wat hij op zijn weg vindt is hij, vrij van afgunst, de materiële dualiteit ontstegen en is hij, dan stabiel in geval van falen en slagen, nimmer verstoord met wat hij ook doet. (23) Met zijn geest stevig verankerd in de spirituele wijsheid, en met de gehechtheid verdwenen handelend terwille van het brengen van offers, blijft er niets over van zijn motivatie om resultaten te behalen, van zijn karma dus.
(24) Offers brengend terwille van de geest wordt de geest het offer en is de offeraar van het geestelijk vuur; zeer zeker zal hij de geest van het absolute bereiken die zich volledig wijdt aan het dienen van die geest. (25) Sommigen wijden zich aan de vertegenwoordigers van dit of dat goddelijk belang, terwijl anderen, met de wens zich te verenigen in het bewustzijn, van opoffering zijn voor het volmaakt verbonden zijn in het vuur van de geest van het Absolute. (26) Sommigen verhouden zich tot dit vuur met behulp van mantra's waarmee ze hun oren en dergelijke zinnen dan opdragen, terwijl anderen datgene waar hun zinnen op uit zijn offeren in het vuur. (27) Weer anderen, die verlicht in de geestelijke kennis hun geesten concentreren in de yoga, offeren in het vuur het ademen dat ze hebben met al de drukte van hun zinnen. (28) Sommigen geven, van verzaking zijnd, aldus hun bezittingen op in het zich verenigen, terwijl weer anderen, die zich ascetisch houden aan geloften, al hun talenten van begrip wijden aan de studie van de geschriften. (29) Anderen verder, die het proberen vanbinnen stil te worden met hun essentie, doen dat door hun in- en uitgaande adem te volgen, waarin ze de inwaarts en uitwaarts bewegende adem met elkaar verbinden, terwijl nog weer anderen de hele onderneming van het alles uitademen eraan geven door hun voedselinname te beperken. (30) Wat de praktijk ook moge inhouden, allen die weten van offeren, vinden op die wijze verlichting van de innerlijke beroering van het aangedaan zijn door de materiële kwestie, en bereiken, met het verworven hebben van de smaak van die nectar van het offeren, de geest van het eeuwige. (31) Hoe kunnen we nu ooit een betere wereld krijgen, als we niet van opoffering zijn in deze wereld, o beste van de Kuruheerschappij? (32) Dit is hoe de verschillende manieren van offers brengen worden verdedigd in de boeken der wijsheid. Ze zijn alle het resultaat van plichtmatig bezig zijn, en met de liefde voor de kennis hiervan, met de âtmatattva4 in dezen, zal je de bevrijding vinden.
(33) Als jij, o zoon van Prithâ, vastbesloten bent je kennis te wijden aan deze âtmatattva, is dat een groter offer dan het opofferen van je bezittingen, o ondergang van je tegenstanders, omdat je plicht er volmaakt door gediend en volledig door behartigd zal zijn. (34) Onthou dat als je van respect bent voor hen die hier weet van hebben, en jij hen, met de wens ze van dienst te zijn, vragen stelt, dat deze âtmatattva-mensen der zelfverwerkelijking je zullen inwijden in de waarheid der zieners. (35) Als je van de âtmatattva bent zal je nimmer weer de illusie ten prooi vallen, o zoon van tante Prithâ, omdat je, met deze liefde voor de kennis, achting zult hebben voor alle levende wezens als deel uitmakend van de ziel - of anders gezegd, dat allen zich in mij bevinden. (36) Zelfs al ben je de meest ellendige en laagste van allen, zal je, met dit schip van de kennis der spiritualiteit, de oceaan van al de materiële misère kunnen oversteken. (37) Net zoals een laaiend vuur brandhout in as verandert, zal, beste Arjuna, het vuur van dit hogere weten al jouw karma in de as leggen. (38) Niets waar jij weet van hebt in deze wereld is te vergelijken met deze zuivering, en hij die waarlijk ervaren is in dit zich verenigen, zal dat ook zelf concluderen. (39) Hij die hier geloof aan hecht zal, als hij aan deze âtmatattva vasthoudt, erin slagen zijn zinnen te onderwerpen, omdat men in deze trouw aan de principes zeer snel het transcendentale bereikend, de vrede zal vinden. (40) Iemand zonder benul, vol van twijfels en zonder enig geloof voelt er niet veel voor; nimmer zal er in deze wereld, noch in het hiernamaals, geluk te vinden zijn voor een dergelijke ziel vol van twijfels. (41) De man die, verenigd in het bewustzijn, de baatzuchtige vorm van arbeid eraan gaf, en, met de âtmatattva van het gewetensvol kennen van het absolute, brak met de twijfels, heeft zijn leven gevonden in de ziel en zal, wat hij ook doet, zich nimmer gebonden weten, o veroveraar van de weelde. (42) En wees zo, o nakomeling van Bharata, door het met behulp van het wapen van de kennis van de ziel kappen met de twijfel die zich uit onwetendheid in je hart opwierp, van de innerlijke vereniging en sta op!'
HOOFDSTUK 5 Zich verenigen in arbeid en onthechting
(1) Arjuna zei: 'Krishna, je laat je zowel lovend uit over de keer ten goede van het zich verenigen in het bewustzijn als over de keer om zich van productieve arbeid te onthouden; maar welke van de twee is nu beter, geef me hier uitsluitsel over.'
(2) De man van het geluk zei: 'Zowel het werk verricht terwille van het zich verenigen als het geheel en al verzaken van de baatzuchtige arbeid leidt tot bevrijding, maar, zoals jij het stelt, zou ik zo zeggen dat vergeleken met het verzaken van baatzuchtige arbeid, het handelen ten dienste van de vereniging de voorkeur verdient. (3) Beschouw altijd hem die noch haat, noch verlangt als een verzaker; vrij van de dualiteit is hij, o man van beheersing, er gelukkig mee volledig vrij te zijn van de materiële gebondenheid. (4) Onwetend zegt men dat het intellectuele beschouwen van de wereld verschilt van het zich verenigen in het bewustzijn, maar de geschoolden zien dat niet zo. Ongeacht waar men voor kiest komt men logisch gesproken uit op het volledige van hen beiden. (5) Dat wat wordt bereikt door intellectuele inspanning bereik je ook met het dienen van de vereniging, en aldus ziet hij, die studeren en onzelfzuchtig handelen als één en hetzelfde beschouwt, de dingen zoals ze zijn.
(6) Maar het is zo dat de verzaking, o man van beheersing, zal resulteren in leed als dat zonder het zich verenigen in het bewustzijn plaatsvindt, terwijl een denker, die verbonden is in het zich verenigen, onverwijld de allerhoogste geest bereikt. (7) Verbonden in het zich verenigen zal een zuivere ziel, die zelfbeheerst de zinnen heeft onderworpen, vol van mededogen zijn voor alle levende wezens en nimmer zijn aangedaan, ongeacht het werk dat hij doet. (8-9) Wat betreft het ruiken, horen, zien, aanraken, lopen, dromen en ademen van het lichaam, zegt een man van de waarheid: 'Zeer zeker doe ik, in mijn verbonden zijn, in het geheel niets'; hij beziet al het praten, verzaken, aanvaarden, openen en sluiten van zijn ogen, als enkel een bezigheid van de zinnen. (10) Als een lotusblad in het water is hij, die in het verzaken van zijn gehechtheden al zijn activiteiten inperkt tot het spirituele, aldus tewerk gaand, nimmer aangedaan door enige tegenslag of moeilijkheid. (11) In het opgeven van de gehechtheid van het zelf zijn zij die innerlijk verenigd zijn, met hun lichaam, geest en intelligentie, en zelfs met hun zintuigen, in dat wat ze doen bezig terwille van de zuivering. (12) In verbondenheid van het profijt afziend in hun arbeid bereiken zij onverschrokken de vrede, terwijl zij die niet verbonden zijn verstrikt raken in hun gehechtheid de vruchten van de arbeid te willen genieten.
(13) In deze geest van het verzaken van alle handelingen leeft de belichaamde die van beheersing is, gelukkig in de stad met de negen poorten, het lichaam; nimmer is hij degene die ook maar iets doet, noch geeft hij aanleiding tot enig iets. (14) Hij is nimmer de eigenaar, noch de doener, noch zet hij anderen aan tot handelen, noch veroorzaakt hij de resultaten; het wordt allemaal bestierd door de natuur zelf. (15) Nimmer gaat de Almachtige in Zijn heersen ervan uit dat wie dan ook van een goede of een kwade inborst zou zijn; nee, Hij is meer begaan met de verbijstering van de levende wezens wier kennis wordt overdekt door de onwetendheid.
(16) Voor die ziel echter wiens onwetendheid werd vernietigd door de âtmatattva, wordt de hoogste werkelijkheid van de geestelijke kennis onthuld als was het de rijzende zon. (17) En om die reden grijp je dan ook niet terug op het lichamelijk begrip van het leven als je eenmaal je intelligentie daarop hebt toegelegd, als je eenmaal je leven daarop hebt ingesteld, als je daar trouw aan bent en daarin je toevlucht zoekt; en als dat zo is zal je, bij de genade van die âtmatattva, al je twijfels van je af weten te schudden. (18) Of het nu een brahmaan van deugd en succes betreft, een koe, een olifant, een hond of een zwerver, door hem die van de wijsheid is worden ze allen gelijkgezind bekeken. (19) Zij die met een geest die stabiel is in een dergelijke gelijkheid foutloos zijn in spirituele gelijkmoedigheid, bevinden zich in het voorbije; zij hebben geboorte en dood verslagen. (20) Niet juichend in geval van succes, nog werkelijk geraakt door het onaangename, bevindt hij die zonder verbijsterd te zijn het spirituele kent, die vertrouwt op zijn eigen intelligentie, zich in het bovenzinnelijke. (21) Hij die niet gehecht aan oppervlakkige pleziertjes, erin slaagt om zich te concentreren op het spirituele van het verbonden zijn in de ziel, zal in zichzelf een onbegrensd geluk genieten. (22) Zij die intelligent zijn scheppen nimmer behagen in dat wat in relatie tot de zintuigen de ellende veroorzaakt, daar dergelijke zaken die een begin en een eind hebben altijd tijdelijk zijn, o zoon van tante Kuntî. (23) Hij die levend met het lichaam, voordat hij zijn lichamelijk omhulsel afwerpt, in staat is om de lust en de woede die ontstaan uit de aandriften ervan te beheersen, is een persoon van integriteit en geluk. (24) Een ieder die, vanbinnenuit gelukkig zijnde, berust in het innerlijk licht, is een verenigde âtmatattva-persoon die, bevrijd in de geest, in staat is om zijn eigen weg met God te volgen. (25) Zij die zonder een hoge dunk van zichzelf te hebben, met het leiden van een innerlijk leven, die geestelijke bevrijding bereiken, zijn, voorbij de dualiteit zich bevindend in zelfverwerkelijking, in feite er druk mee bezig het welzijn van alle levende wezens te dienen. (26) Zij die in hun verzaking bevrijd raakten van de lust en de woede, hebben hun geest weten te onderwerpen, zodat ze, met dat wat ze leerden van de ziel, spoedig kunnen rekenen op de opperste zaligheid. (27-28) Niet de noodzaak voorbijstrevend in de buitenwereld is de persoon innerlijk uitgestegen boven de wereldse zaken en is hij, in zijn praktijk van het zich concentreren tussen de wenkbrauwen, het stopzetten van de in- en uitgaande adem, het vasthouden van de adem in de neus, en met de zintuigen, de geest en de intelligentie aldus ingesteld op de bevrijding, iemand die, met het afgezien hebben van alle verlangens, angsten en woede, zeer zeker altijd van die bevrijding is. (29) Met mij en waar ik voor sta helder voor ogen als zijnde het doel van alle offers, boetedoeningen en verzakingen, met mij als de fortuinlijke in al de werelden die de zegen is van alle levende wezens, zal men aldus de vrede vinden.'
HOOFDSTUK 6 Aanwezig zijn en er eerder geweest zijn
(1) De fortuinlijke zei: 'Niets verwachtend van het werken voor de opbrengst, behoort hij, die zijn werk plichtmatig verricht, tot de afdeling der onthechte zielen en is hij een persoon die innerlijk verenigd en verbonden is, maar dat geldt niet voor degene die geen offers brengt en niet plichtmatig bezig is. (2) Het is in deze afdeling der onthechte zielen dat men verbonden raakt o zoon van Pându; met het niet afzien van het zelfzuchtig motief is er geen sprake van dat men zich in het bewustzijn verenigt, is er geen sprake van dat men een âtmatattva-persoon is. (3) Men zegt van de beginner in deze praktijk van wijsheid dat het het verrichten van arbeid is waardoor men verbonden en verenigd raakt, maar van hen die het bereikten zegt men dat het te danken is aan de gelijkgezindheid. (4) Zo gauw de persoon niet langer het zintuiglijke ten dienst staat en hij het werken voor een resultaat heeft opgegeven, is hij op dat moment een verzaker van alle materiële verlangens die verheven is geraakt in deze wetenschap van de yoga van het verenigen van het bewustzijn. (5) Men moet erop letten nadenkend en aandachtig te zijn en niet door te draaien in negativiteiten, en daarbij in gedachten houden dat die nadenkendheid evenzo goed je vriend is als je vijand. (6) Voor degene die zichzelf de baas is, is de geest de beste kameraad, maar voor hen die de ziel uit het oog verloren blijft de geest een vijand. (7) Als men als een kampioen in de nadenkendheid de vrede gevonden heeft, is men geheel en al van de grotere Ziel die de individuele zielen beheerst en die hetzelfde is in kou en hitte, in lief en leed, en in eer en oneer. (8) Tevreden met de âtmatattva en de wijsheid die erbij hoort kan een persoon van zichzelf op aan als hij het zinnelijke onder controle heeft, en het is om die reden dat hij die verenigd is er bekend om staat dat het hem om 't even is of het nu een kluit aarde, een steen of een klomp goud betreft. (9) Het verst gevorderd is hij die gelijkgezind is jegens zowel vrienden en weldoeners als jegens vijanden, zowel in relatie tot haatdragende verwanten als in relatie tot verwanten die goedgezind zijn, alsook met degenen die het met de regels niet zo nauw nemen als met hen die toegewijd en trouw zijn.
(10) Teneinde verenigd te zijn in de yoga moet een persoon altijd zichzelf herinneren vanuit een afgezonderde positie waarin hij alleen kan zijn, waarin hij volledig aandachtig kan zijn, hij niet afgeleid wordt en hij zich geen zorgen hoeft te maken over bezittingen. (11-12) Op een beschutte plek moet hij zorgen voor een comfortabele zitplaats die niet te hoog of te laag is met een zitkussen met een zachte overtrek, zodat hij, eenpuntig van aandacht, in staat is zijn hart vrij te maken met het beheersen van zijn geest, zijn zinnen en zijn spieren. (13-14) Zijn lichaam niet bewegend en met zijn nek en zijn hoofd recht, moet de yogabeoefenaar naar het puntje van zijn neus staren en nergens anders naar kijken. Met een kalm zelf, vrij van angst en zwerend bij het celibaat, moet hij zich dan geheel zelfbeheerst concentreren op het uiteindelijke doel van mij, op dat waar ik voor sta. (15) Bevrijdt in het voorbije zal hij, die met de praktijk zoals nu uiteengezet zo de geest inperkt en het bewustzijn verenigt, aldus bezield bezig zijnd, de vrede bereiken van het spirituele bereik. (16) Maar, Arjuna, de vereniging vindt niet echt plaats als men teveel eet, of als men teveel vast, en hetzelfde geldt voor teveel slapen en te lang wakker blijven. (17) Echter, als men met het doen van zijn yoga erin slaagt het slapen en waken te reguleren, zowel als het eten en het zich vermaken als de tijd voor persoonlijke zaken en de uren dat men werkt, zal er aan alle problemen een einde komen. (18) Als men, zonder te verlangen met allerhande lustmotieven, met de geest op deze manier gedisciplineerd, gevestigd raakt in de bovenzinnelijkheid, geldt dat men in dat geval in verbinding staat. (19) Je kan de verenigde persoon, wiens geest wordt beheerst door de regelmatige en constante meditatie van de ziel, vergelijken met een olielamp die niet flakkert als hij uit de wind is geplaatst. (20) In de staat waarin de geest, afgekeerd van materiële zorgen, zijn rust vindt in het beoefenen van de vereniging, vindt men zijn bevrediging als men, in de zuiverheid van een dergelijke geest, zich bewust is van zijn plaats in de ziel. (21) Het opperste geluk, waarvan men weet dat het met behulp van de intelligentie kan worden bereikt in de bovenzinnelijke positie, zal degene die het bereikt nooit van de waarheid vervreemden. (22) En wat je ook nog meer moge inzien in die positie kan je nimmer waardevoller achten dan dat, omdat je vanuit die gelukzaligheid nooit overschaduwd raakt, hoe ernstig de problemen ook zijn. (23) Weet dat in de vervoering van de yoga aan al de ellende van het in contact staan met de materiële wereld een einde komt. (24) Verzeker je er dus van dat je die vereniging volijverig beoefent en jezelf niet verliest in gissingen die ontsproten aan je hang naar ongeregeld bezig zijn; je kan er zeker van zijn dat je geest geheel de aftocht zal blazen als het je gelukt is om dit voor je hele zintuiglijkheid te regelen.
(25) Er niet over peinzend het op een andere manier klaar te spelen, moet men, met een intelligentie gedragen door overtuiging, stap voor stap de geest erin oefenen zich terug te trekken in de stabiliteit van de ziel. (26) Van waarheen ook de geest, die zo makkelijk in beroering raakt, wisselvallig en onstandvastig afdwaalt, moet men hem weer onder het gezag plaatsen van deze zelfregulatie. (27) Hij die in verbinding staat bereikt de hoogste deugd als hij, bevrijd in de geest van het absolute, met zijn denken in vrede en zijn hartstocht geluwd, vrij is van onzuiverheden. (28) Met het altijd van de ziel zijn wordt aldus een onuitputtelijk geluk gevonden door de verenigde persoon die, op vrome wijze in contact staande met de geest der transcendentie, vrij is van alle materiële duisternis. (29) Hij die verbonden is in het verenigde zelf beziet allen met een neutrale blik: hij ziet de ziel in alle levende wezens en alle levende wezens in de ziel. (30) Voor hem die, als zodanig, mij herkent in alles en alles beziet als zich ophoudend in mij, ga ik nimmer verloren, noch zal hij ooit voor mij teloor gaan. (31) Als men mij toegewijd is als me bevindend in ieders hart, bevindt men zich in eenheid, en van zulk een inzicht zijnde, zal zo iemand, verenigd in het bewustzijn, met mij altijd een leven hebben, ongeacht de omstandigheid. (32) Die transcendentalist die, op zijn gemak of ermee in moeilijkheden, erin slaagt zijn eigen zelf gelijk te richten met het zelf dat overal gelijkelijk aanwezig is, beschouwt men als zijnde volmaakt.'
(33) Arjuna zei: 'Geëmotioneerd als ik op het ogenblik ben, heb ik er geen idee van hoe dit systeem van het zich verenigen, zoals je dat in het algemeen voor mij beschreven hebt o duivelbestrijder, mij enig houvast zou bieden. (34) De geest, Krishna, is ontembaar, sterk en opstandig, en brengt je zo makkelijk van streek dat ik denk dat te doen wat jij zegt zo moeilijk is als het temmen van de wind.'
(35) Hij van het geluk zei: 'Het lijdt geen twijfel dat, o man van beheersing, het moeilijk is de koppige geest onder controle te krijgen, maar, o zoon van Kuntî, met vasthoudendheid en onthechting kan het je lukken. (36) Met een wispelturige geest kan je het moeilijk hebben je eigen weg te vinden; zoals ik het zie bestaat de juiste methode om het te bereiken eruit de geest met iets zinnigs, iets praktisch, aan het werk te zetten: ga iets doen!'
(37) Arjuna zei: 'Maar welk lot treft dan hem, beste Krishna, die van zijn geloof gevallen, met een geest die de volmaaktheid mist, afdwaalt van het pad der vereniging? (38) Is het niet zo, o machtige bestierder, dat als iemand zowel de weg kwijt is als zijn geloof, hij ten onder gaat als hij, als een wolk die verwaait in de wind, geen houvast meer vindt? (39) Deze twijfel knaagt aan me Krishna, ik smeek het je, bevrijdt me daar geheel van, want er is hier niemand anders die dat kan.'
(40) De fortuinlijke zei: 'Beste zoon van Prithâ, noch in deze wereld, noch in het hiernamaals is het zo dat hij die van een gedegen handelwijze is zichzelf ooit de mist in zal zien gaan; hoe kan het met zo iemand nu verkeerd aflopen? (41) Met het voor vele jaren geleefd hebben van een leven van succes en goede daden, zal degene die het spoor van de innerlijke vereniging bijster raakte, weer tot leven komen in het huis van degene die vol van begrip en eerlijk is. (42) Of anders kan hij een leven vinden in een gezelschap van transcendentalisten van grote wijsheid; maar natuurlijk is men maar hoogst zelden op die manier van een nieuw leven in deze wereld. (43) Met de intelligentie de draad weer oppakkend waar hij gebleven was in zijn voorgaande bestaan, o zoon van Pându, zal hij daarop weer opnieuw ijveren voor de volmaaktheid. (44) Van binnenuit gedreven tot zijn voorgaande praktijk zal hij belangstelling hebben voor de bewustzijnsvereniging en zal hij erin slagen de routines zoals die zijn vastgelegd in de boeken te ontstijgen. (45) Systematisch in zijn benadering zal zo een spirituele persoon, leven na leven geleidelijk de perfectie bereikend, al de onzuiverheden uit zijn ziel weggewassen zien en zo de positie bereiken waarin hij de dualiteit de baas is. (46) Zij die verenigd zijn in het bewustzijn staan boven degenen die er enkel maar een filosofie op nahouden, en ook staan ze boven degenen die zich enkel maar inspannen voor de vrucht der arbeid; wees daarom, Arjuna, van het eerstgenoemde. (47) En van al degenen die innerlijk verenigd zijn beschouw ik hen die zich mij, als zijnde de integriteit van dat alles, trouw weten te herinneren en te dienen, als de grootsten.'
Verenigd in de âtmatattva jezelf kennen en het maken
(1) De fortuinlijke zei: 'Luister nu hoe, o zoon van Prithâ, je met je geest op mij geconcentreerd in de vereniging waar het mij om te doen is, je de twijfel te boven kan komen met betrekking tot deze volledigheid van mij. (2) Laat me je tot in detail uitleggen hoe, met deze kennis onder de knie er wijs mee rakend, dat voor jou alles zou zijn wat er in deze wereld te weten valt. (3) Onder vele duizenden is er slechts een enkeling die geeft om de volmaaktheid en onder hen is er slechts een enkeling die zich werkelijk bewust is van deze integriteit van mij.
(4) Dat waar ik in materiële zin uit besta zijn de energieën van de aarde, het water, de lucht, de ether, de geest, de intelligentie en het ego. (5) Begrijp goed, o man van beheersing, dat benevens deze lagere energie van mij er een hogere is die, als de ondersteuning voor de hele wereld, het Zelf van mij vormt waarin ieder levend wezen zich bevindt. (6) Al het geschapene wortelt in deze twee energieën en in die zin moet je mij zowel zien als de eeuwige bron van het geschapene als de fragmentatie die je in de wereld aantreft.
(7) Voorbij deze hogere energie van mij, die er is als de draad die de parels van een ketting verbindt, valt er verder niets meer te bekennen o veroveraar van de weelde. (8) In dezen ben ik de smaak van het water, o zoon van Kuntî, het licht van de zon en de maan, de oermantra AUM in alle heilige boeken, het geluid dat je aantreft in de ether en het kunnen van de mens. (9) Ik ben de oorspronkelijke geur van de aarde, de hitte van het vuur, het leven in alle levende wezens en ik ben de boete der boetvaardigen. (10) Weet, o zoon van Prithâ, dat ik het zaadbeginsel ben van alle levende wezens, de oorspronkelijke intelligentie van de intelligenten en de gebieder van hen die aan de macht zijn. (11) Ik ben van de sterken de sterkte die vrij is van verlangen en gehechtheid, en o meester van de dynastie, van het seksleven van het levende wezen ben ik de consequente samenhang met de natuur.
(12) En onthou dat van al de staten van goedheid, hartstocht en duisternis waar men zich in kan bevinden, ze meer een deel van mij vormen, dan dat ik deel van hen uitmaak. (13) De ganse wereld staat onder de invloed van deze staten en is als gevolg van hen begoocheld, in onwetendheid verkerend over mij, degene die zich boven hen bevindt als het onuitputtelijke allerhoogste. (14) De goddelijkheid van deze opzet van mij in de zin van de natuurlijke geaardheden, vormt een bijzonder lastig iets, maar zij die mij aanvaard hebben als de integriteit ervan, zijn er zeer wel toe in staat deze begoochelende energie te boven te komen. (15) Zij die corrupt zijn en de dwazen5 wier âtmatattva overschaduwd wordt door het verstandsverbijsterende effect van de geaardheden, koesteren, vanuit hun onverlichte staat, geen respect voor mij.
(16) Arjuna, van de vromen die mij respecteren zijn er vier typen: zij die in moeilijkheden verkeren, zij die nieuwsgierig zijn, zij die mijn weelde verlangen, en zij die van de âtmatattva zijn. (17) Van dezen staat degene die in toewijding altijd in de âtmatattva is verbonden mij het meest nabij, omdat hij die de kennis liefheeft en mij hooghoudt, door mij wordt hooggehouden. (18) Alle âtmatattva-personen zijn zeer zeker grootmoedige zielen, en ik durf te stellen dat ze, in hun verbonden zijn in de ziel, aan mij gelijk zijn, omdat men in mij die hoogste bestemming vindt. (19) Na het zo vele levens geprobeerd te hebben aanvaardt hij die van de âtmatattva is, hij die ervan houdt gelijkgezind te zijn, mij als de oorspronkelijke goddelijkheid van alle succes, en zo iemand komt men, zoals je weet, maar zelden tegen.
(20) In hun verlangens houden zij die de âtmatattva uit het oog verloren het, naar gelang hun aard, op mindere goden en mindere regelingen. (21) Zij die overeenkomstig hun eigen verlangen trouw vasthouden aan welke vorm van goddelijkheid ook, worden echter door mij in hun geloof bevestigd. (22) Geïnspireerd door een dergelijke vorm van verbondenheid bereiken ze waar ze op uitzijn, want dat is hoe ik, en niemand anders, voor hen in die verbondenheid heb voorzien. (23) Maar, omdat het een mindere intelligentie betreft6, zijn dergelijke uitkomsten maar tijdelijk van aard; zij die de goden wensen zoeken hun heil bij hen en zij die mij willen bereiken komen bij mij terecht. (24) Niet bekend met de allerhoogste integriteit van de dualiteit van mijn onoverwinnelijke lagere en onvergankelijke hogere bestaan, veronderstellen de minder intelligenten dat ik vanuit het ongeziene een gedaante heb aangenomen. (25) Ik, in de zin van die ongeboren en onuitputtelijke werkelijkheid, ben niet zonder meer voor een ieder duidelijk omdat de dwazen, die overschaduwd worden door illusoire begrippen van eenheid, geen notie hebben van mijn integriteit. (26) Het verleden, het heden en de toekomst van alle levende wezens is mij duidelijk, Arjuna, maar voor hen ben ik niet zo duidelijk. (27) O nazaat van Bharata, al de levende wezens die hun geboorte namen hebben te lijden onder de illusie die zijn oorsprong vindt in de begoochelende dualiteit van voorkeur en afkeer. (28) Deze illusoire dualiteit lost op bij personen die, vroom in hun handelingen, het einde van hun nevenmotieven bereikten; zij zijn degenen die, vrij van misvatting en ervan overtuigd mij van dienst te zijn, met toewijding tewerk gaan. (29) Om van de last van de oude dag verlost te raken zijn allen die mij als hun toevlucht kiezen, feitelijk godsbewuste mensen; ze weten alles van wat men moet doen ten gunste van de transcendentie. (30) Verbonden in de geest kennen ze zelfs als ze op het punt staan te sterven, mij als de ene soevereine heerser over de gehele materiële manifestatie, alle goddelijkheid en alle offers.'
Verenigd in de geest der eeuwigheid verlossing vinden
(1) Arjuna zei: 'Wat over God, de ziel die men voor zichzelf heeft en vruchtdragende bezigheden; wat o grootste persoonlijkheid, over de materiële manifestatie en wat te zeggen over, zoals men dat noemt, de mindere goden in dezen? (2) Wie is die heer van het offer, hoe leeft hij binnenin het lichaam, en, duivelbestrijder, hoe kunnen zij die van de zelfbeheersing zijn jou kennen op het moment dat ze heengaan?'
(3) Hij die van al de weelde is7 zei: 'God is de onvergankelijke Ene in het voorbije die de ziel of het ware zelf wordt genoemd die eeuwig is, en waarvan de levende wezens zich vertonen in een creatieve bezigheid die men karma noemt, de werklast of het werken voor een resultaat. (4) De mindere goden zijn de universele integriteiten, of de goddelijke persoonlijkheden, van de verschillende manifestaties van de natuur die constant in beweging zijn - zoals de zon en de maan -, en de heer der offers ben ik, hij die binnenin de belichaamde wezens aanwezig is, mijn beste. (5) Hij die zich mij herinnert als hij op het punt van sterven zijn materiële lichaam achterlaat, zal zonder enige twijfel mijn eigenlijke aard bereiken. (6) De aard van wat men zich allemaal herinnert als men dit lichaam ten leste opgeeft, zal, o zoon van Prithâ, altijd leiden tot een staat die overeenkomt met degene die men in gedachten hield. (7) Hou derhalve te allen tijde, en zelfs in het heetst van de strijd, vast aan het je herinneren van mij, zodat je, vrij van twijfel, met je geest en intelligentie mij aanvaardend, er zeker van bent dat je mij zult bereiken. (8) Als men, vasthoudend in het zich verenigen, verbonden is met een geest en intelligentie die niet afdwaalt, bereikt men de opperste en goddelijke, persoonlijke integriteit die men in gedachten hield, o zoon van Prithâ.
(9) Hij, de Allerhoogste, is de Ene die alles weet en die de oudste en de beheerser is; Hij is kleiner dan een atoom, de Ene die altijd overal aan denkt en de Ondoorgrondelijke Handhaver die verheven is boven alle duisternis met een gedaante zo helder als de zon. (10) Die persoon zal het goddelijke bereiken die, als zijn tijd is gekomen, zijn levensadem tussen zijn wenkbrauwen vestigt, en, verbonden door de kracht van zijn yoga, in het volle van zijn toewijding een geest heeft die niet afdwaalt maar vasthoudt aan de integriteit van het universum, de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije.
(11) Laat me je nu in het kort uitleggen wat het betekent om een celibatair te zijn. Het is een praktijk die nagestreefd wordt door hen, behorend tot de wereldverzakende orde, die als grote geleerden goed thuis in de kenniscultuur de mantra AUM beoefenen. (12) Men bevindt zich in de positie van de bewustzijnsvereniging als men, zelfbeheerst in relatie tot wat de zintuigen waarnemen en met de levenskracht in het hoofd geconcentreerd, de geest in het hart sluit. (13) Een ieder kan die allerhoogste staat bereiken als hij, met het laten van het lichaam voor wat het is, met mij in gedachten AUM laat weerklinken, de ene lettergreep van de geest.
(14) Voor iedere yogabeoefenaar, die op een regelmatige basis aanhoudend, met een geest die nergens anders doolt, zich mij herinnert, o zoon van Prithâ, ben ik, vanwege die constante aandacht, makkelijk te bereiken. (15) De grote zielen die mij bereikten beginnen nooit met een nieuw leven in de tijdelijke wereld die zo vol van misère is, omdat zij het helemaal tot het uiteindelijke van de perfectie hebben weten te brengen. (16) Arjuna, men keert zelfs weer terug van de hoogste geestelijke werelden, maar als men mij bereikt heeft, o zoon van Kuntî, zal men nooit meer een nieuw leven aanvangen. (17) Zoals het is met de gewone man die denkt in termen van dagen en nachten, bestaat een dag van God uit een duizendtal cycli van schepping8, terwijl Zijn nacht, zo wordt het begrepen, evenzo een duizendtal cycli beslaat. (18) Al de levende wezens manifesteren zich bij het begin van de dag en bij het vallen van de nacht vinden ze allen hun vernietiging, of worden ze, zoals men dat zegt, weer opgenomen in het ongeziene. (19) O zoon van Prithâ, het geheel van alle levende wezens dat zich manifesteert bij het aanbreken van iedere dag en hun automatisch weer vernietigd worden als het weer nacht wordt, houdt in dat ze herhaaldelijk hun geboorte nemen. (20) Maar transcendentaal aan die natuur, welke ongezien kan zijn, is er een andere natuur, eeuwig en niet te zien, welke nimmer zijn vernietiging vindt als aan al het gemanifesteerde een einde komt. (21) Die ongeziene natuur wordt gezegd onfeilbaar te zijn en wordt beschreven als de uiteindelijke bestemming vanwaar men, als men die bereikt heeft, nooit weer terugkeert: dat is mijn allerhoogste verblijf. (22) Hij, de Allerhoogste en Oorspronkelijke Persoon, o zoon van Prithâ, in wie de gehele manifestatie zijn bestaan heeft en door wie al het zichtbare wordt doortrokken, kan enkel worden bereikt door een dienstverlening die op niets anders is gericht dan op toewijding.
(23) O beste der Pândava's, laat me je nu een beschrijving geven van de tijden van vertrek uit deze wereld waarop zij die geslaagd zijn in de bewustzijnsvereniging terugkeren of anders niet terugkeren. (24) Die personen die vertrekken naargelang het licht van het vuur, het daglicht, het licht van de heldere maandhelft van een wassende maan of het licht van de zes maanden dat de zon hoog aan de hemel staat, gaan allemaal naar God. (25) Hij die verenigd in het bewustzijn echter vertrekt naargelang de duisternis van de nacht, de duisternis van rook, de duistere helft van de maand of het duister van de zes maanden dat de zon laag aan de hemel staat, zal weer naar deze wereld terugkeren omdat hij niet voorbij de orde van het maanlicht wist te reiken. (26) Dit zijn volgens de geschriften de twee manieren om uit deze wereld te vertrekken; als men overeenkomstig het licht vertrekt keert men niet terug, terwijl men wel terugkeert als men overeenkomstig het duister vertrekt. (27) Hij, verenigd in het bewustzijn, die weet heeft van deze verschillende wegen, verkeert niet in staat van begoocheling over welke van de twee ook; wees derhalve, Arjuna, altijd verbonden in de âtmatattva van het verenigen van het bewustzijn. (28) Alle yogabeoefenaars die zich hiervan bewust zijn reiken voorbij de resultaten van godvruchtige arbeid zoals ontleend aan de studie van de geschriften, offerplechtigheden, verzakingen en liefdadigheid, en bereiken het oorspronkelijke, allerhoogste verblijf.'
HOOFDSTUK 9 Zich verenigen in vertrouwelijke kennis
(1) Hij van het fortuin zei: 'Wat ik je nu ga vertellen is de meest vertrouwelijke soort van wijsheid en kennis, en is bedoeld voor hen die vrij zijn van afgunst; dit weten zal je bevrijden van alle wereldse misère. (2) Het is de absolute heerser van alle kennis en vertrouwen, het is de zuiverste, ultieme intelligentie van de praktische ervaring, is maatgevend voor de religiositeit, is onvergankelijk en brengt geluk als het in praktijk wordt gebracht.
(3) Personen die geen geloof hechten aan deze manier zichzelf te verbinden, o overwinnaar van je vijand, zullen, als ze mij op de weg van hun materiële bestaan niet hebben kunnen vinden, weer terugkeren na hun sterven. (4) Van mijn ongeziene gedaante is deze ganse kosmische manifestatie doortrokken; zo bevinden zich alle levende wezens in mij terwijl het volledige van mij anderzijds niet in hen kan worden aangetroffen. (5) Noch zal ook maar iets van wat afzonderlijk bestaat in mij standhouden; doorgrond mijn grootse eenheid: ik die als het oorspronkelijke zelf de bron van al het geschapene ben, bevindt me, als de handhaver van al het geschapene, nimmer volledig in dat wat er geschapen werd. (6) Bekijk het op deze manier: net zoals het is met de machtige wind die overal waait in de atmosfeer, is het gesteld met al de levende wezens die overal in mij leven. (7) O zoon van tante Kuntî, aan het einde van een dag van schepping gaan al de levende wezens op in de totaliteit van mijn materiële natuur en bij het aanbreken van een dergelijke dag worden ze allemaal weer opnieuw geschapen of geconditioneerd. (8) Met het binnengaan in deze materiële natuur van mij schep ik, keer op keer, de hele kosmische manifestatie, het volkomen geheel dat is overgeleverd aan mijn dwingende, etherische kracht. (9) En aan die handelingen ben ik nimmer gebonden, o veroveraar van de weelde, omdat ik, niet aangetrokken tot de vruchtdragende handeling, van een neutrale positie ben. (10) Onder mijn toezicht manifesteert de materiële natuur zowel de bewegende als de niet-bewegende levensvormen, en dit toezicht vormt voor het levende wezen, o zoon van Kuntî, de zin, het motief, van het bestaan.
(11) Dwazen, niet bekend met mijn bovenzinnelijke aard, mijn opperheerschappij over alles, drijven de spot met me omdat ik een menselijke gedaante heb aangenomen. (12) Teleurgesteld in hun verwachtingen, winstmotieven en hun kennis zoeken de verbijsterden hun heil in atheïstische en demonische, begoochelde zienswijzen van een materialistische aard. (13) Maar, o zoon van Prithâ, de grote zielen die hun heil zoeken in mijn goddelijke natuur, weten van de onuitputtelijke bron van de schepping en zijn van toewijding met een geest die niet afdwaalt. (14) Vol van toewijding overtuigd ondernemend, zingen ze altijd over me en betuigen ze me de eer, steeds druk bezig zijnd in hun aanbidding. (15) Anderen brengen offers in de vorm van de kennis die ze opdragen in het aanbidden van mij als de eenheid in de rijke verscheidenheid van de universele gedaante. (16) Ik ben het ritueel, het offer en de smaak; ik ben het geneeskrachtige kruid en ik ben de mantra; ik ben de uitgieting, het vuur en de offergave. (17) Ik ben van het levende wezen de vader, de moeder, de steunverlener en de voorouder; ik ben dat wat er gekend wordt, dat wat zuivert, de lettergreep AUM en de Rig-, de Yayur- en de Sâmaveda. (18) Ik ben het doel, de onderhouder en de meester; de getuige, het verblijf en de toevlucht; ik ben de beste vriend, de schepping en de vernietiging; ik ben de grondvesting, het zaad dat niet teloor gaat en de rustplaats. (19) Ik geef warmte, zorg dat het regent en ook dat het niet regent; ik ben de onsterfelijkheid, de dood en zowel het zijn als het niet-zijn, o Arjuna.
(20) Zij die bekend zijn met de drie Veda's, zij die bevrijd van hun zwakheden drinken van de soma en, van aanbidding met offerandes, bidden voor een plaatsje in de hemel, bereiken de wereld van Indra en genieten aldaar de hemelse genoegens van de goden. (21) Nadat ze, met het genoten hebben van die oneindige hemel, de verdienste van hun goede daden hebben uitgeput, keren ze weer terug naar de wereld der sterfelijke zielen, en komen zij, die zo gewetensvol zijn met de leer van de drie Veda's, tot het leven en sterven van een verlangen in de lust. (22) Maar zij die zich concentreren met niemand anders dan mij als hun voorwerp van aanbidding, die personen, die altijd verankerd in hun toewijding van het juiste aanbidden zijn, bescherm ik en breng ik wat ze nodig hebben. (23) Ondanks het feit dat zij die de mindere goden zijn toegedaan eveneens van een exclusief geloof en van aanbidding zijn in relatie tot mij, zijn ze niet van een aanbidding overeenkomstig de regulerende beginselen3, o zoon van Kuntî. (24) Aangezien ik de meester en genieter ben van alle offers, vallen zij, die mij niet volgens het principe kennen, weg van het goddelijke. (25) Zij die achting hebben voor de mindere goden, vinden de mindere goden op hun weg; zij die de voorouders vereren, reiken tot hen; zij die de spoken en de geesten vereren bereiken dat soort wezens, maar mijn toegewijden komen tot mij. (26) Eenieder trouw aan de principes die, mij toegewijd, een blad, een bloem een vrucht en water offert9, brengt een offer dat voor mij aanvaardbaar is. (27) Doe wat je eet, wegschenkt in liefdadigheid of opoffert in je verzaking, als een offer gebracht aan mij, o zoon van tante Prithâ. (28) Met het aldus verlost zijn van zowel de zon- als de schaduwzijde van het gebonden zijn aan de baatzuchtige arbeid zal je, bevrijd, met je geest verbonden in de verzaking van de yoga, mij bereiken.
(29) Ik ben gelijkgezind in mijn respect voor alle levende wezens, ik haat noch koester wie dan ook, maar zij die in hun toewijding mij van dienst zijn, bevinden zich evenzogoed in mij als ik in hen. (30) Men moet degene die zonder aflaten mij toegewijd is, zelfs al heeft hij zich allerkwalijkst gedragen, als een heilige beschouwen vanwege het gewicht van zijn overtuiging. (31) Zo iemand, o zoon van Kuntî, komt snel op het rechte pad en bereikt een duurzame vrede; hou staande dat mijn toegewijde nimmer teloor gaat! (32) O zoon van Prithâ, ook al zijn degenen die tot mij hun toevlucht nemen uit zonde geboren vrouwen, handelaren en arbeiders, zullen ze toch de hoogste bestemming bereiken. (33) En hoeveel te meer zou dit dan niet gelden voor rechtschapen brahmanen, toegewijden en vrome overheidsdienaren. Daarom moet jij die het gebracht hebt tot deze tijdelijke wereld vol van ellende, je bezighouden met mijn liefdevolle dienstverlening! (34) Denk altijd aan me, wordt mijn toegewijde, een aanbidder en een offeraar van mij, zodat je, mij toegewijd, een ziel zal zijn die volkomen gelijkgericht is.'
Één zijn in het respecteren van het geluk11
(1) De man van het geluk zei: 'Luister nogmaals, o man van beheersing, naar de bovenzinnelijke instructie die ik je geef in jouw voordeel omdat je mij zeer dierbaar bent. (2) Mijn oorsprong is zelfs niet bekend bij de grootste wijzen of goden der verlichting; in ieder opzicht ben ik de bron van de grote wijzen en de godsbewusten. (3) Hij die me kent als de ongeborene voor wie er geen aanwijsbaar begin bestaat, en als de grote heerser over de wereld, ziet de dingen zoals ze zijn; zo iemand, die niet begoocheld is temidden van de sterfelijken, raakt bevrijd van al de terugslagen van zijn overtredingen. (4-5) De verschillende aspecten waar ik zorg voor draag met het levende wezen zijn de intelligentie, de kennis, de integriteit, de vergevingsgezindheid, de waarachtigheid, de beheersing van de zinnen en de geest; het geluk, de treurnis, de geboorte, de dood, de angst en ook de onbevreesdheid, alsmede de geweldloosheid, de evenwichtigheid, de tevredenheid, de ascese, de liefdadigheid, de roem en de schande. (6) Ieder menselijk wezen dat ter wereld komt heeft zijn oorsprong in de zeven klassieke, grote wijzen en de vier oervaders die eveneens uit mijn geest zijn voortgekomen.10 (7) Zij die inzien dat de volheid en bewustzijnsvereniging van dit alles van mij afkomstig zijn, zullen onverdeeld van dienst zijn in hun yoga, dat lijdt geen twijfel. (8) Ik ben de bron van waaruit al het bestaande ontstond, uit mij is alles voortgekomen; en derhalve zullen de intelligenten die hiervan op de hoogte zijn, verbonden door hun liefde, mij toegewijd zijn. (9) Met hun geesten op mij ingesteld en hun levens aan mij gewijd, inspireren ze elkaar door het steeds over mij te hebben, en vinden ze hun bevrediging en tevredenheid. (10) Zij die voortdurend zijn verbonden in de vreugde die zo essentieel is voor de toegewijde dienst, verleen ik de intelligentie van een verenigd bewustzijn door middel waarvan ze mij bereiken. (11) Met de weelde van mijn mededogen verdrijf ik, die zich in hun harten bevind, met het heldere licht van de kennis, alle duisternis der onwetendheid.'
(12-13) Arjuna zei: 'Dit van jou, wat je nu met me bespreekt, heeft betrekking op de Ene over wie al de grote wijzen onder de goddelijken zoals Nârada, Asita, Devala en Vyâsa het hebben: het betreft jou in de vorm van de allerhoogste geest, de hoogste verblijfplaats, de zuiverheid van de transcendentie, de oorspronkelijke persoonlijkheid, de beheerser in het voorbije, de ongeborene en de grootste. (14) Dit alles wat je me nu toevertrouwt neem ik voor waar aan, o toonbeeld van de schoonheid, en ik ben er zeker van dat er geen mens van God of zelfs maar een onwetende ziel is, die weet heeft van deze openbaring van jou als de Oorspronkelijke Persoon van de Volheid! (15) Jij, die jezelf persoonlijk kent als de Ziel aller zielen, bent aldus de grootste aller personen, de bron van alle levende wezens, de Heer van alle schepselen, de God der goden en de meester van het universum. (16) Als zodanig is het aan jou om tot in detail uitleg te verschaffen over alles wat betrekking heeft op je goddelijke volheid, alles wat betreft die kennismiddelen die ten grondslag liggen aan de verschillende menselijke zienswijzen, door middel waarvan jij voor je zaak opkomt en standhoudt in al de werelden.11 (17) Hoe kan ik, o man van de eenheid, jou nu kennen; hoe kan ik jou nu in gedachten houden; in welke gedaante, of in welke hoedanigheid, moet ik me je herinneren, o man van het geluk? (18) O opwinding van de mens, ik smeek je nogmaals, om me alles te vertellen over je vermogens om het bewustzijn te verenigen, want ik krijg er nooit genoeg van te luisteren naar de nectar van die beschrijvingen!'
(19) De fortuinlijke zei: 'Oké, ik zal met jou het belangrijkste bespreken van mijn goddelijke, persoonlijke krachten, o beste der Kuru's, daar er aan mijn uitgebreidheid waarlijk geen grenzen gesteld zijn. (20) O overwinnaar van de slaap, ik als die ziel vanbinnen, vorm het begin, het leven in de tussentijd alsook het eindpunt van alle levende wezens. (21) Onder al de zonen die hun geboorte namen uit de wijzen ben ik Vishnu; van al de hemellichten ben ik de stralende zon, onder de helderste geesten ben ik Marîci en wat betreft de orde van de tijd in relatie tot de sterren ben ik de maan.12 (22) Van de religieuze geschriften ben ik het boek waaruit men reciteert, de Sâmaveda; onder de goden ben ik de Indra, koning van de hemel13; van de zintuigen ben ik het zesde zintuig, de geest, en van al de levende wezens ben ik de levenskracht. (23) Van hen die een bedreiging vormen ben ik S'iva en onder hen die bezeten en slecht zijn ben ik Kuvera, de schatbewaarder; van natuurgoden ben ik het vuur en van al de bergen ben ik de berg Meru in het midden van het universum.14 (24) Van al de priesters ben ik de priester van de hemel, Brihaspati, o zoon van Prithâ, van de